Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8766

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2005
Datum publicatie
06-07-2005
Zaaknummer
200408693/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 17 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: het college) besloten dat vanaf 1 januari 2004 aan werkgevers voor In- en Doorstroombanen (hierna: ID-) een bijdrage in de loonkosten zal worden gevraagd, dat de A-, B-, C- en D-categorieën binnen de ID-regeling vanaf 1 april 2003 worden bevroren en dat de verlenging van tijdelijke toekenningen afhankelijk zal worden gemaakt van de uitkomsten van de ID-analyse die op dit moment plaatsvindt. Bij schrijven van 25 maart 2003 heeft het college hiervan mededeling gedaan aan alle ID-werkgevers in de gemeente, waaronder appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 308

Uitspraak

200408693/1.

Datum uitspraak: 6 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting Kinderopvanggroep Midden-Brabant, gevestigd te Tilburg,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. 03/1742 BESLU van de rechtbank Breda van 16 september 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg.

1.    Procesverloop

Op 17 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: het college) besloten dat vanaf 1 januari 2004 aan werkgevers voor In- en Doorstroombanen (hierna: ID-) een bijdrage in de loonkosten zal worden gevraagd, dat de A-, B-, C- en D-categorieën binnen de ID-regeling vanaf 1 april 2003 worden bevroren en dat de verlenging van tijdelijke toekenningen afhankelijk zal worden gemaakt van de uitkomsten van de ID-analyse die op dit moment plaatsvindt. Bij schrijven van 25 maart 2003 heeft het college hiervan mededeling gedaan aan alle ID-werkgevers in de gemeente, waaronder appellante.

Bij besluit van 23 juni 2003 heeft het college het door appellante tegen de brief van 25 maart 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 september 2004, verzonden op 21 september 2004, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 november 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 januari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door G.B.E. de Wit, bijgestaan door mr. drs. A.H.M. Smits, advocaat te Rosmalen, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.T.N. Smeets, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, voorzover thans van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

   Ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb, voorzover thans van belang, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een beleidsregel.

2.2.    Op 17 maart 2003 heeft het college vastgesteld welke consequenties de landelijke bezuinigingen zullen hebben voor het gemeentelijk ID-beleid 2003. Bij brief van 25 maart 2003 heeft het college de ID-werkgevers hiervan op de hoogte gesteld. Daarbij heeft het college gewezen op de mogelijkheid bezwaar aan te tekenen, op grond waarvan appellant de brief heeft opgevat als een besluit.

2.3.    Ook indien voormelde vaststelling van het beleid zou moeten worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb, zoals het college kennelijk meende, dan nog is daartegen geen beroep en bezwaar mogelijk op grond van het bepaalde bij artikel 8:2, onder a, gelezen in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellante gegrond verklaren, het besluit van 23 juni 2003 vernietigen en het door appellante tegen de brief van 25 maart 2003 gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.5.    Het college dient, gelet op de ten onrechte in de brief van 25 maart 2003 opgenomen bezwaarmogelijkheid, op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 september 2004, 03/1742 BESLU;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg van 23 juni 2003;

V.    verklaart het door appellante tegen het besluit van 17 maart 2003 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.288.00 (€ 644,00 + € 644,00, zegge duizend tweehonderdachtentachtig euro), welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Tilburg te worden betaald aan appellante;

VII.    gelast dat de gemeente Tilburg aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht (€ 641,00 (€ 232,00 + € 409,00), zegge zeshonderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer    w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2005

71-435.