Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8764

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2005
Datum publicatie
06-07-2005
Zaaknummer
200409447/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2004, kenmerk 06-2004-II, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouders] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het houden, trainen en fokken van en in beperkte mate handelen in paarden op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Borkel, sectie […], nummers […], […] (gedeeltelijk) en […] (gedeeltelijk). Dit besluit is op 14 oktober 2004 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet ammoniak en veehouderij
Wet ammoniak en veehouderij 4
Wet ammoniak en veehouderij 6
Wet ammoniak en veehouderij 7
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/3280
JOM 2006/1299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409447/1.

Datum uitspraak: 6 juli 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2004, kenmerk 06-2004-II, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouders] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het houden, trainen en fokken van en in beperkte mate handelen in paarden op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Borkel, sectie […], nummers […], […] (gedeeltelijk) en […] (gedeeltelijk). Dit besluit is op 14 oktober 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 22 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2004, beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant, verweerder en vergunninghouders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen. Voorts zijn als partij gehoord vergunninghouders.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een tweede ontwerpbesluit te nemen nadat in het eerste ontwerpbesluit het voornemen was geuit de aangevraagde vergunning te weigeren.

2.1.1.    De Afdeling overweegt dat de Algemene wet bestuursrecht geen verplichting bevat om in een geval als het onderhavige een nieuw ontwerpbesluit ter inzage te leggen. Verder is niet gebleken van zodanige omstandigheden dat verweerder uit een oogpunt van zorgvuldigheid was gehouden eerst een tweede ontwerpbesluit te nemen alvorens de gevraagde vergunning te kunnen verlenen. Dit beroepsonderdeel treft geen doel.

2.2.    Appellant betoogt dat de gevraagde vergunning is verleend in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav). Hij voert - kort samengevat - aan dat de onderhavige inrichting is gelegen binnen een zone van 250 meter van een kwetsbaar gebied. Omdat de eerder ten behoeve van de onderhavige inrichting verleende Hinderwetvergunning van rechtswege is vervallen, is sprake van de oprichting van een veehouderij en niet van de verandering van een reeds bestaande veehouderij, waarvan verweerder uitgaat, aldus appellant.

2.2.1.    Verweerder is van mening dat uit de door vergunninghouders overgelegde informatie blijkt dat in de periode van december 1993 tot  januari 1995 sprake was van een bedrijfsmatige paardenhouderij. Nu er sprake is van een bestaande paardenhouderij die wordt uitgebreid van 10 naar 30 paarden, heeft hij de gevraagde vergunning verleend. Verweerder heeft de vergunningverlening gebaseerd op artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, d en e, van de Wav. Dat voor de bestaande activiteiten geen milieuvergunning was verleend, doet volgens verweerder niet af aan het feit dat het om een bestaande paardenhouderij gaat.

2.2.2.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wav wordt een vergunning voor het oprichten van een veehouderij geweigerd, indien een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wav wordt een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wav wordt in afwijking van artikel 6, eerste lid, de vergunning niet geweigerd, voorzover:

[…]

c. de uitbreiding schapen of paarden betreft;

d. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, of

e. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.

   Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Hinderwet, zoals dat gold tot 1 maart 1993, voorzover hier van belang, vervalt de vergunning, wanneer de inrichting niet binnen drie jaren na het onherroepelijk worden van de vergunning voltooid en in werking is gebracht. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat wanneer een gedeelte van de inrichting is verwoest dan wel gedurende drie achtereenvolgende jaren buiten werking is geweest, de vergunning vervalt voor dat gedeelte.

2.2.3.    De Afdeling overweegt allereerst dat een oprichtingsvergunning is aangevraagd en, blijkens het dictum van het bestreden besluit, door verweerder is verleend. Niet in geschil is voorts dat de onderhavige inrichting is gelegen binnen een zone van 250 meter rond een kwetsbaar gebied dat is gelegen in de Ecologische Hoofdstructuur, waarvan de begrenzing op 2 juli 2002 door het college van gedeputeerde staten van Gelderland is vastgesteld. Gelet hierop kan, gezien het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Wav, ten behoeve van de onderhavige inrichting geen vergunning worden verleend voor het oprichten. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Wav genomen.

2.2.4.    Voorzover verweerder heeft beoogd toepassing te geven aan artikel 7, eerste lid, van de Wav, overweegt de Afdeling allereerst dat het verlenen van een vergunning op grond van dit artikel slechts mogelijk is, indien het gaat om het veranderen van een bestaande veehouderij. Dit betekent dat, anders dan verweerder meent, sprake moet zijn van een veehouderij ten aanzien waarvan een vergunning krachtens de Wet milieubeheer geldt. Het enkele feit dat verweerder het aannemelijk acht dat in 1994 10 paarden zijn gehouden, materialen zijn geleverd, werkzaamheden zijn uitgevoerd en advertenties zijn geplaatst die duiden op een bedrijfsmatige paardenhouderij op het perceel [locatie] en in zoverre sprake is van een bestaande veehouderij, is daarvoor niet voldoende.

   Appellant betoogt dat voor de inrichting nog een Hinderwetvergunning geldt. Uit de stukken blijkt dat op 13 juni 1973 en 10 april 1988 voor de inrichting gelegen aan toen de [locatie] krachtens de Hinderwet respectievelijk een oprichtingsvergunning voor een mestkalverenbedrijf en een revisievergunning voor de uitbreiding van dit bedrijf met tuinbouwactiviteiten zijn verleend. De inrichting bestond onder andere uit 2 stallen, de stallen A en B. In maart 1994 is het bedrijf gesplitst in [locaties]. Het woonhuis met stal A (thans [locatie]) is aan vergunninghouders in eigendom overgedragen.

   Uit het bestreden besluit blijkt dat tijdens een bedrijfsbezoek op 27 april 1994 is geconstateerd dat er vóór 1 maart 1993 (toen artikel 27 van de Hinderwet is komen te vervallen) al langer dan drie opeenvolgende jaren geen mestkalveren meer werden gehouden in de toenmalige, ongesplitste inrichting op de [locatie]. Blijkens de door appellant overgelegde landbouwtellingsgegevens waren in de jaren 1989 tot en met 1994 geen mestkalveren dan wel andere dieren op de toen nog ongesplitste inrichting op het perceel [locatie] aanwezig. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt derhalve dat stal A gedurende drie achtereenvolgende jaren niet is gebruikt voor het houden van dieren. Vergunninghouders hebben ter zitting, mede onder verwijzing naar een brief van verweerder van 23 februari 1990, evenwel betoogd dat omstreeks 1990 naast stal A hokken zijn geplaatst waarin hazen zijn gehouden. Het houden van hazen elders in de inrichting in niet vergunde hokken, telt bij de omvang van de op grond van de vergunning van 10 april 1988 bestaande rechten echter niet mee. Deze vergunning voorzag, voorzover hier van belang, uitsluitend in het houden van dieren in stal A.

   Nu gezien het vorenstaande gedurende drie achtereenvolgende jaren geen dieren in de vergunde stal A van de inrichting zijn gehouden, is de vergunning van 10 april 1988 - die wat de [locatie] betreft uitsluitend zag op het houden van dieren in stal A - op grond van artikel 27, derde lid, van de Hinderwet van rechtswege vervallen.

2.2.5.    Vanwege het van rechtswege vervallen zijn van de vergunning van 10 april 1988 heeft verweerder het verlenen van de gevraagde vergunning ten onrechte gebaseerd op artikel 7, eerste lid, van de Wav. Nu in het onderhavige geval sprake is van het oprichten van een veehouderij en de inrichting is gelegen binnen een zone van 250 meter rond een kwetsbaar gebied, kan, gelet op het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Wav, ten behoeve van de onderhavige inrichting geen vergunning voor het oprichten worden verleend.

2.3.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellant te worden veroordeeld. Voor vergoeding van de door vergunninghouders opgegeven proceskosten bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard van 5 oktober 2004, kenmerk 06-2004-II;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Valkenswaard aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Valkenswaard aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Montagne

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2005

374.