Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8748

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2005
Datum publicatie
06-07-2005
Zaaknummer
200407549/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2004, kenmerk MV01-023, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een manege gelegen aan de [locatie] te Purmerend, kadastraal bekend gemeente Purmerend, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 7 september 2004 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/549
Milieurecht Totaal 2005/1683
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407549/1.

Datum uitspraak: 6 juli 2005.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], allen wonend te Purmerend,

2.    de vereniging "Vereniging Ecologisch Woonproject Purmerend", gevestigd te Purmerend,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2004, kenmerk MV01-023, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een manege gelegen aan de [locatie] te Purmerend, kadastraal bekend gemeente Purmerend, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 7 september 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 8 september 2004, bij de Raad van State ingekomen per fax op 9 september 2004, en appellante sub 2 bij brief van 11 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2004, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 8 oktober 2004.

Bij brief van 1 december 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 15 maart 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Naar aanleiding van het deskundigenbericht zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2005, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, en dr. ir. W. Soede, als deskundige van Syncera De Straat B.V., appellante sub 2, vertegenwoordigd door E. Brugge-Kooijman, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.H.A. van der Grinten, advocaat te Amsterdam, ing. M.A.C. Quist en ir. J.A. Huizer, gemachtigden, zijn verschenen. Voorts is daar als partij vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. van Schie, advocaat te Haarlem, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting hebben appellanten sub 1 de beroepsgronden inzake het in strijd met het recht genomen zijn van het ontwerp van het besluit, het ten onrechte niet ter inzage zijn van verschillende stukken, de onjuiste wettelijke grondslag van het bestreden besluit en de bevoegdheid van verweerder ingetrokken.

2.2.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Anders dan verweerder heeft gesteld hebben de gronden van appellanten sub 1 inzake de onjuistheid van de akoestische onderzoeken in verband met het ten onrechte niet toepassen van een toeslagfactor voor muziekgeluid afkomstig uit de kantine en het ten onrechte niet beoordelen van het muziekgeluid uit de manegehal wel hun grondslag in de bedenkingen waarin immers is aangevoerd dat het muziekgeluid uit de kantine en de manegehal ten onrechte niet als geluidbron zijn meegenomen in de akoestische onderzoeken. Het beroep van appellanten sub 1 is daarom in zoverre ontvankelijk.

2.3.    De bij het bestreden besluit verleende oprichtingsvergunning heeft betrekking op een manege en daarmee samenhangende activiteiten, waaronder de in- en verkoop van paarden, het trainen van paarden, het geven van manegelessen, het exploiteren van een kantine met terras, de verkoop van ruitersportartikelen en het organiseren van wedstrijden/ evenementen. Op grond van de bij het bestreden besluit verleende vergunning mogen ten hoogste 80 paarden in de inrichting worden gehouden.

2.4.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5.    Appellanten hebben bezwaren aangevoerd die verband houden met de door de inrichting veroorzaakte (indirecte) geluidhinder. Zij stellen dat het bestreden besluit uit een oogpunt van toereikendheid als ook naleefbaarheid van de vergunde geluidgrenswaarden geen stand kan houden. Wat betreft de naleefbaarheid hebben zij onder meer naar voren gebracht dat niet alle binnen de inrichting aanwezige geluidbronnen zijn meegenomen in de akoestische onderzoeken die mede ten grondslag hebben gelegen aan het bestreden besluit en dat ten onrechte nader onderzoek achterwege is gebleven. Tevens zou bij het uitvoeren van de akoestische onderzoeken zijn uitgegaan van onjuiste aannames en meetposities, aldus appellanten.

2.5.1.    Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft verweerder onder andere de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden.

   Ingevolge voorschrift 7.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, in de representatieve bedrijfssituatie en bij binnenevenementen ter plaatse van de gevel van woningen niet meer bedragen dan 40, 35 en 30 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   Ingevolge voorschrift 7.2 mogen, onverminderd het gestelde in voorschrift 7.1, de maximale geluidniveaus (LAmax), voorzover deze een gevolg zijn van de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede van de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, in de representatieve bedrijfssituatie en bij binnenevenementen ter plaatse van de gevel van woningen niet meer bedragen dan 68, 57 en 57 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   Ingevolge voorschrift 7.3 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, bij buitenevenementen ter plaatse van de gevel van woningen niet meer bedragen dan 41 dB(A) gedurende de dagperiode.

   Ingevolge voorschrift 7.4 mogen, onverminderd het gestelde in voorschrift 7.3, de maximale geluidniveaus (LAmax), voorzover deze een gevolg zijn van de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede van de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, bij buitenevenementen ter plaatse van de gevel van woningen niet meer bedragen dan 68 dB(A) gedurende de dagperiode.

   Ingevolge voorschrift 7.5, voorzover hier van belang, mogen per jaar maximaal 4 buitenevenementen en 10 binnenwedstrijden worden georganiseerd. Buitenevenementen en binnenwedstrijden moeten uiterlijk 5 werkdagen voorafgaand aan de aanvang worden gemeld aan het bevoegd gezag. De data waarop de buitenevenementen en binnenwedstrijden plaatsvinden, de aanvangs- en eindtijden en een omschrijving van de buitenevenementen en binnenwedstrijden dienen te worden vastgelegd in een journaal. Dit journaal moet in de inrichting worden bewaard. Buitenevenementen mogen niet plaatsvinden gedurende de avond- en nachtperiode.

2.5.2.    Voor de beoordeling van directe geluidhinder heeft verweerder, aangezien in de gemeente Purmerend nog geen gemeentelijk beleid als bedoeld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) is vastgesteld, de in hoofdstuk 4 van de Handreiking aanbevolen beoordelingswijze, welke overeenkomt met die van de circulaire Industrielawaai, tot uitgangspunt genomen. Voorts heeft hij wat de in voorschrift 7.3 opgenomen ontheffing van de normaal geldende geluidnormen voor buitenevenementen betreft paragraaf 5.3 van de Handreiking gehanteerd.

   In de Handreiking zijn richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor een landelijke omgeving gelden als richtwaarden 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, voor een rustige woonwijk gelden waarden van 45, 40 en 35 dB(A) en voor een woonwijk in de stad worden richtwaarden van 50, 45 en 40 dB(A) aanbevolen. Overschrijding van deze richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

   Paragraaf 5.3 van de Handreiking wijst er onder andere op dat volgens vaste jurisprudentie ontheffing kan worden verleend om maximaal twaalf maal per jaar (uitgangspunt is dat het per keer steeds gaat om één, aaneengesloten, periode van maximaal een etmaal) activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning. Het gaat dan om bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties), welke niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie. Dat wil niet zeggen dat daaraan geen limiet kan worden gesteld: jurisprudentie en alara-beginsel vereisen dat in deze gevallen wordt nagegaan in hoeverre de hinder kan worden beperkt. Dat kan bijvoorbeeld door minder ontheffingen te verlenen, geluidgrenzen op te leggen of de duur van de ontheffingen te beperken.

   Wat de feitelijke geluidbelasting vanwege de inrichting betreft is verweerder uitgegaan van door Oranjewoud en Peutz & Associes verrichte (aanvullende) akoestische onderzoeken, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de rapporten van Oranjewoud van 25 april 2001 (documentnummer 101123-revisie 03), 25 oktober 2001 (documentnummer 101123-revisie 04), 24 februari 2003 en 16 december 2003 en van Peutz & Associes van 25 augustus 2004 (nr. FA 15860). Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken heeft verweerder zich bij het nemen van het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Naar aanleiding van het uitgebrachte deskundigenbericht heeft verweerder een nader onderzoek van Peutz & Associes van 29 april 2005 overgelegd. Volgens verweerder volgt uit dit onderzoek eveneens dat aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

2.5.3.    De Afdeling merkt allereerst op dat verweerder gehouden is op basis van de aanvraag om vergunning te beoordelen of in het belang van de bescherming van het milieu vergunning kan worden verleend en welke voorschriften daaraan moeten worden verbonden. Het staat verweerder niet vrij van de aanvraag af te wijken. Hij kon in het kader van de milieuvergunningprocedure dan ook geen onderzoek verrichten naar, zoals door appellanten sub 1 gesteld, een andere locatie dan wel het anders inrichten van de inrichting.

   Voorts ziet de Afdeling in het betoog van appellanten sub 1 inzake het opnieuw moeten uitvoeren van een geheel omvattend geluidonderzoek in verband met onduidelijkheden en misverstanden geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.5.4.    Voorzover appellanten hun beroep hebben gericht tegen de hoogte van de in de voorschriften 7.1 en 7.2 gestelde geluidgrenswaarden stelt de Afdeling vast dat de in voorschrift 7.1 opgelegde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau overeenkomen met de laagste richtwaarden die in de Handreiking, voor een landelijke omgeving, worden genoemd. Verder zijn de in voorschrift 7.2 opgelegde maximale geluidgrenswaarden niet hoger dan de waarden die hiervoor in de Handreiking als ten hoogste aanvaardbaar worden geacht.

   De in voorschrift 7.3 opgenomen ontheffing betreft de buitenevenementen. Deze activiteit, alsmede de duur daarvan, is zowel in de aanvraag als in de voorschriften 7.3 en 7.5 vastgelegd. Vastgesteld moet worden dat voorschrift 7.3 in beperkte mate toestaat dat de in voorschrift 7.1 gestelde geluidgrenswaarde voor de dagperiode wordt overschreden. Wat betreft de in voorschrift 7.4 gestelde maximale geluidgrenswaarde voor buitenevenementen gedurende de dagperiode stelt de Afdeling vast, dat deze overeenkomt met de in voorschrift 7.2 gestelde, normaal geldende, maximale geluidgrenswaarde voor de dagperiode. Van een ontheffing is derhalve geen sprake.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de voorschriften 7.1 tot en met 7.5 neergelegde grenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken. Het betoog van appellanten dat sprake zou zijn van een lager referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse en dat de meting van dit referentieniveau onbetrouwbaar zou zijn doet daar, wat daar verder ook van zij, gelet op het systeem van de Handreiking niet aan af. Ook in hetgeen appellanten voor het overige hebben betoogd ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.5.5.    Wat het betoog van appellanten sub 1 betreft dat ten onrechte niet alle geluidbronnen zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek, overweegt de Afdeling dat, mede gelet op het deskundigenbericht, de mechanische afzuigapparatuur van de kantine, het slaan van autodeuren en laadkleppen van trailers en het muziekgeluid uit de kantine niet zullen bijdragen aan de geluidbelasting vanwege de inrichting ten aanzien van woningen van derden, zodat deze niet in het akoestisch model behoefden te worden betrokken. Wat het muziekgeluid uit de kantine betreft, neemt de Afdeling daarbij in aanmerking dat ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.14 de deur van kantine, behoudens het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen, gesloten moet zijn. Tevens is in dit voorschrift bepaald dat deuren zelfsluitend moeten zijn. Voorzover appellanten betogen dat dit voorschrift niet zal worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat dit geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat voorschrift 7.14 niet zou kunnen worden gehandhaafd.

   Verder is uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, gebleken dat de blowerwagen, waarmee een aantal malen per jaar in de dagperiode krachtvoer wordt aangevoerd en dit voer in silo's wordt opgeslagen, niet is meegenomen bij de beoordeling in de akoestisch rapporten van Oranjewoud. Verder is gebleken dat in deze rapporten ten aanzien van het muziekgeluid afkomstig uit de manegehal is uitgegaan van 6 ventilatieopeningen, terwijl ventilatie plaats zal vinden via een open nok. Dit houdt in dat er sprake zal zijn van een grotere opening waardoor het geluid naar buiten kan treden. Evenmin is rekening gehouden met de uitstraling van geluid via het dak. Gelet op het deskundigenbericht en het nader onderzoek van Peutz van 29 april 2005, dat betrekking heeft op de geluidbelasting vanwege de blowerwagen, het muziekgeluid afkomstig uit de manegehal en de uitstraling van geluid via het dak, acht de Afdeling echter aannemelijk geworden dat vanwege deze geluidbronnen aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

   Daarnaast is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat voornoemd akoestisch rapport van Peutz & Associes van 25 augustus 2004 is gebaseerd op een onjuiste aanname wat betreft de afstand tussen de dam en de dichtstbijgelegen woning aan de [locatie 1]. Ter zitting is aan de hand van de tekening behorende bij de aanvraag, welke beiden onderdeel uitmaken van het bestreden besluit, vastgesteld dat de afstand van het midden van de dam, op het snijvlak van de grens van de inrichting en de [locatie], tot aan voornoemde woning 25 meter bedraagt. Ter zitting is gebleken dat niet is uitgesloten dat bij deze afstand, uitgaande van een worst-case-scenario, te weten een bronvermogen van 110 dB(A) van het tweetal aldaar in de dagperiode passerende vrachtwagens, het optredende piekgeluidniveau 69 dB(A) in deze periode zal bedragen. Voorzover daarmee van een overschrijding van de in dit voorschrift gestelde piekgeluidgrenswaarde sprake zou zijn, heeft verweerder met het aan de vergunning verbinden van voornoemd voorschrift onbedoeld deze activiteiten, een tweetal vrachtwagens gedurende de dagperiode, onmogelijk gemaakt. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk gemotiveerd.

2.5.6.    In hetgeen appellanten voor het overige ten aanzien van de uitgevoerde akoestische onderzoeken in het kader van (indirecte) geluidhinder hebben aangevoerd ziet de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding voor het oordeel dat de uitgangspunten en/of conclusies in deze onderzoeken onjuist dan wel onvolledig zouden zijn. In zoverre bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de in het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd.

2.6.    Appellanten sub 1 hebben aangevoerd dat, uitgaande van de bezoekersaantallen in het rapport van Oranjewoud, meer parkeerplaatsen zijn vergund dan er nodig zijn. Volgens appellanten zal de ruimere parkeergelegenheid bij de inrichting ertoe leiden dat ook andere personen dan bezoekers van de inrichting gebruik zullen maken van de parkeerplaatsen.

   Bij uitspraak van 6 augustus 2003, no. 200201371/1, heeft de Afdeling geoordeeld dat, gezien de aanvraag die deel uitmaakt van de vergunning, in de inrichting 69 parkeerplaatsen ter beschikking moeten zijn. Voornoemde aanvraag ligt ook aan het onderhavige besluit ten grondslag. De Afdeling ziet thans geen aanleiding voor een ander oordeel. Verder is gebleken dat de parkeerplaatsen binnen de onderhavige inrichting uitsluitend zijn bedoeld voor bezoekers van de inrichting. Gelet op het vorenstaande en hetgeen overigens is gebleken ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben betoogd geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.7.    Appellanten betogen dat verweerder het nabij de inrichting gelegen Purmerbos als geheel ten onrechte niet als stankgevoelig object in de zin van categorie II, te weten een object voor dagrecreatie, van de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) heeft aangemerkt. Appellante sub 2 stelt dat ten minste een afstand van 50 meter tot het Purmerbos moet worden aangehouden. Volgens appellanten sub 1 dient een minimale afstand van 100 meter te worden aangehouden. Ook indien van een afstand van 50 meter moet worden uitgegaan, kan volgens hen geen vergunning worden verleend, aangezien de hal van de manege op een afstand van slechts 11 meter van de rand van voornoemd bos is gelegen. Ook ten aanzien van woningen van derden dient volgens appellanten sub 1 een afstand van 100 meter te worden aangehouden, omdat sprake zou zijn van categorie II-objecten als bedoeld in de brochure.

2.7.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) tot uitgangspunt genomen. Ter voorkoming van stankhinder door paarden is verweerder, nu in de Richtlijn voor paarden geen afzonderlijke afstandseisen zijn vastgesteld, in het kader van de hem toekomende beoordelingsvrijheid uitgegaan van een minimale afstand van 50 meter van het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting tot een voor stank gevoelig object.

2.7.2.    Over de toereikendheid van het door verweerder gehanteerde beschermingsniveau ten aanzien van woningen van derden heeft de Afdeling reeds in haar uitspraak van 6 augustus 2003, no. 200201371/1, geoordeeld. Uit de stukken is gebleken dat zich sinds deze eerdere uitspraak geen veranderingen in de situatie hebben voorgedaan. De Afdeling komt daarom onder verwijzing naar de overwegingen in voornoemde uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar van appellanten sub 1 in zoverre geen doel treft. Verder overweegt de Afdeling dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt noch anderszins is gebleken dat het Purmerbos als object voor dagrecreatie, en derhalve als stankgevoelig object, moet worden aangemerkt. Verweerder heeft het Purmerbos bij de beoordeling van stankhinder derhalve terecht buiten beschouwing gelaten.

2.8.    Appellanten sub 1 betogen dat verweerder ten onrechte geen voorschriften aan de vergunning heeft verbonden inhoudende dat het zicht op trailers en auto's moet worden onttrokken.

   De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op de afstand van het terrein van de inrichting tot woningen van derden en het feit dat het parkeerterrein door een groenstrook zal worden afgeschermd, in zoverre geen nadere voorschriften aan de vergunning behoeven te worden verbonden.

2.9.    Wat betreft de door appellanten sub 1 aangevoerde bezwaren met betrekking tot de aspecten opslag van mest, overlast van vliegen en lichthinder overweegt de Afdeling dat zij zich reeds bij uitspraak van 6 augustus 2003, no. 200201371/1, een oordeel heeft gevormd over hetgeen partijen hieromtrent hebben aangevoerd. De Afdeling stelt vast dat de onderhavige situatie wat betreft deze aspecten gelijk is aan die in voornoemde procedure. Gelet daarop komt de Afdeling onder verwijzing naar de overwegingen in voornoemde uitspraak tot het oordeel dat de bezwaren van appellanten geen doel treffen.

   Ook ten aanzien van het betoog van appellanten sub 1 in het kader van het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer dat bij het stellen van de voorschriften ten onrechte geen rekening is gehouden met de natuurwetenschappelijke en ecologische waarden, waarbij appellanten met name hebben gewezen op de volgens hen in de omgeving van de inrichting aanwezige steenuil, heeft de Afdeling zich reeds bij de hiervoor genoemde uitspraak van 6 augustus 2003 een oordeel gevormd. De Afdeling stelt vast dat de onderhavige situatie uitsluitend wat betreft de hoogte van de gestelde geluidgrenswaarden anders is dan die in voornoemde procedure. De Afdeling ziet hierin geen aanleiding voor een ander oordeel dan in voornoemde uitspraak vervat en komt daarom mede onder verwijzing naar de overwegingen in deze uitspraak tot het oordeel dat ook dit bezwaar van appellanten sub 1 geen doel treft.

2.10.    Voorzover appellante sub 2 heeft betoogd dat aannemelijk is dat activiteiten in de avondperiode zullen plaatsvinden, hetgeen gevolgen heeft voor de handhaafbaarheid van de verleende vergunning, gelet op het te verwachten aantal bezoekers in de avondperiode en het gebruik van het terras en muziek in de kantine, overweegt de Afdeling dat geen activiteiten in de avondperiode zijn aangevraagd en vergund. Dit betreft daarom een kwestie van handhaving van de vergunning. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.11.    Voorzover appellanten sub 1 hebben betoogd dat de locatie tegenover de wijk waar zij wonen niet geschikt is voor de vestiging van een inrichting als de onderhavige, overweegt de Afdeling dat dit een bezwaar van planologische aard betreft, dat buiten het kader van dit geschil valt.

2.12.    De beroepen zijn gelet op rechtsoverweging 2.5.5 gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het betreft het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.2. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.13.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 1 te worden veroordeeld. De Afdeling ziet aanleiding de door appellanten sub 1 gewenste vergoeding van de kosten van het deskundigenrapport van Syncera De Straat B.V., in verband met de daaraan bestede uren, te matigen. Van proceskosten van appellante sub 2 die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Purmerend van 31 augustus 2004, kenmerk MV01-023, voorzover het betreft het aan de vergunning verbonden voorschrift 7.2;

III.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Purmerend op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Purmerend tot vergoeding van bij appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 964,06 (zegge: negenhonderdvierenzestig euro en zes cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Purmerend aan appellanten sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Purmerend aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) voor appellanten sub 1 en € 273,00 (zegge: tweehonderddrieënzeventig euro) voor appellante sub 2 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

De Voorzitter    w.g. Van Leeuwen

is verhinderd de uitspraak    ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2005.

373.