Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8746

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2005
Datum publicatie
06-07-2005
Zaaknummer
200500883/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2004, kenmerk 1017733, heeft verweerder aan appellante lasten onder dwangsom opgelegd als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wegens overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en van de voorschriften 1.10a, 3.2 en 1.4 verbonden aan de bij besluit van 26 juni 1991 krachtens de Hinderwet verleende revisievergunning voor haar inrichting op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […] zoals gewijzigd bij uitspraak van de voormalige Afdeling voor de geschillen van bestuur van 20 april 1993, in zaakno. G05.91.1056.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200500883/1.

Datum uitspraak: 6 juli 2005.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2004, kenmerk 1017733, heeft verweerder aan appellante lasten onder dwangsom opgelegd als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wegens overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en van de voorschriften 1.10a, 3.2 en 1.4 verbonden aan de bij besluit van 26 juni 1991 krachtens de Hinderwet verleende revisievergunning voor haar inrichting op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […] zoals gewijzigd bij uitspraak van de voormalige Afdeling voor de geschillen van bestuur van 20 april 1993, in zaakno. G05.91.1056.

Bij besluit van 14 december 2004, kenmerk 1051855, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 27 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 maart 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. T. Brouwer, ir. L.P. Sturrus en drs. H.W.L. Engelhart, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R. Bloemsma, A.W. Adriaansen, ing. M.G.J. Arts, ing. J.M. van Dam en ing. J. de Wijs, gemachtigden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

   Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

   Ingevolge het vierde lid stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

2.2.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bij besluit van 5 augustus 2004 opgelegde lasten onder dwangsom wat de overtreding van artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, en de voorschriften 1.10a en 3.2 betreft, gehandhaafd. De opgelegde last onder dwangsom in verband met de overtreding van voorschrift 1.4 is daarbij ingetrokken. Voor de overtreding van artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is de dwangsom vastgesteld op € 1.000,00 voor iedere week dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 20.000,00. Voor de overtreding van voorschrift 1.10a is de dwangsom vastgesteld op € 750,00 per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 15.000,00, en voor de overtreding van voorschrift 3.2, op € 500,00 per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 10.000,00.

2.3.    De Afdeling stelt allereerst vast dat het beroep van appellante uitsluitend ziet op de opgelegde lasten onder dwangsom in verband met de overtreding van de voorschriften 1.10a en 3.2.

2.4.    Ten aanzien van de overtreding van voorschrift 3.2 heeft appellante aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat pas aan dit voorschrift is voldaan indien de gasflessen met kettingen zijn vastgemaakt. Volgens haar kan ook met andere voorzieningen aan voorschrift 3.2 worden voldaan. Van overtreding van dit voorschrift is geen sprake geweest, aldus appellante.

   Ter zitting heeft verweerder gesteld dat aan dit voorschrift wordt voldaan indien de gasflessen op zodanige wijze worden vastgemaakt dat deze niet kunnen omvallen. Dit kan volgens hem ook anders dan met kettingen gebeuren. Uit de stukken is voldoende gebleken dat verweerder bij verschillende controles heeft geconstateerd dat de gasflessen niet zodanig waren vastgemaakt dat deze niet konden omvallen. Appellante heeft dit op zichzelf niet bestreden, zodat verweerder in zoverre bevoegd was om tot handhaving over te gaan. Dat vanaf januari 2005 geen overtreding meer is geconstateerd kan hier niet aan afdoen. Voorts moet worden vastgesteld dat de opgelegde last niet verplicht tot het gebruik van kettingen. Het beroep van appellante treft in zoverre geen doel.

2.5.    Niet in geschil is dat de in voorschrift 1.10a opgenomen piekgeluidgrenswaarden worden overschreden, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6.    Appellante betoogt dat verweerder wat de overtreding van voorschrift 1.10a betreft niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot handhaving. Daarbij voert zij aan dat verweerder in onvoldoende mate heeft nagegaan of de overtreding kan worden gelegaliseerd. Volgens haar heeft verweerder het primaire besluit van 5 augustus 2004 ontijdig genomen, nu ten tijde van het nemen van dit besluit de door verweerder gestelde termijn voor het verstrekken van aanvullende gegevens ten aanzien van de door appellante op 3 juni 2004 ingediende aanvraag nog niet was verstreken. Nu verweerder hieraan in het bestreden besluit is voorbij gegaan, is dit besluit in zoverre niet met de nodige zorgvuldigheid genomen, aldus appellante. Ook het feit dat voornoemde aanvraag van 3 juni 2004 door verweerder bij besluit van 23 november 2004 buiten behandeling is gelaten kan volgens haar niet leiden tot de conclusie dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Daarbij heeft zij gewezen op haar pogingen om sinds 1999 een revisievergunning voor de onderhavige inrichting te verkrijgen en de redenen waarom deze niet hebben geleid tot vergunningverlening. Volgens appellante is het feit dat nog geen ontvankelijke aanvraag is ingediend aan verweerder toe te rekenen. De resultaten van een in opdracht van haar uitgevoerd nieuw akoestisch onderzoek, welke op 9 februari 2005 naar verweerder zijn gezonden, geven aan dat concreet zicht op legalisatie bestaat. Op 5 april 2005 is een (nieuwe) aanvraag om vergunning bij verweerder ingediend, aldus appellante.

2.6.1.    Wat het betoog van appellante omtrent het door verweerder ontijdig genomen primaire besluit betreft overweegt de Afdeling dat de op 3 juni 2004 ingediende aanvraag ten tijde van het nemen van het bestreden besluit door verweerder, nadat de termijn voor het verstrekken van aanvullende gegevens was verstreken, buiten behandeling was gelaten vanwege het ontbreken van essentiële gegevens ten aanzien van het aspect geluid. In zoverre heeft verweerder zich, nu ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen ontvankelijke aanvraag voorlag, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake was van concreet zicht op legalisatie. Het betoog van appellante over de situatie ten tijde van het primaire besluit kan, nog daargelaten de juistheid daarvan, hieraan niet afdoen. De Afdeling ziet ook overigens geen grond voor het oordeel dat verweerder er ten tijde van het bestreden besluit niet van kon uitgaan dat er geen concreet zicht bestond op legalisatie op korte termijn. Voorts is de Afdeling van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet voorhanden zijn van een ontvankelijke aanvraag (grotendeels) aan verweerder is toe te rekenen. Voorzover appellante heeft gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2005, no. 200407370/1, overweegt de Afdeling dat in die procedure, anders dan in de onderhavige, de vraag centraal stond of de lange duur voordat op 3 juni 2004 tot het indienen van een definitieve vergunningaanvraag is overgegaan grotendeels aan verweerder kon worden toegerekend. De voorliggende zaak wijkt eveneens in zoverre af van die waarop de genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2005 betrekking heeft, dat in die zaak voornoemde aanvraag van 3 juni 2004 ten tijde van het nemen van het destijds bestreden besluit nog niet buiten behandeling was gelaten en de termijn voor het verstrekken van aanvullende gegevens nog niet was verstreken. Appellante heeft de onvolledigheid van haar aanvraag op zich niet bestreden. Ook overigens is niet gebleken van feiten en/of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het niet voorhanden zijn van een ontvankelijke aanvraag ten tijde van het nemen van het bestreden besluit (grotendeels) aan verweerder kan worden toegerekend.

   De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat handhavend optreden in verhouding tot de daarmee te dienen belangen in dit geval als zodanig onevenredig moet worden beschouwd, dat verweerder niet tot het opleggen van de bestreden last onder dwangsom heeft kunnen besluiten.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

De Voorzitter    w.g. Van Leeuwen

is verhinderd de uitspraak    ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2005.

373.