Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8738

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2005
Datum publicatie
06-07-2005
Zaaknummer
200504254/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2005 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een bedrijf voor het bewerken van metaal en montage, gelegen op het adres [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 31 maart 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504254/2.

Datum uitspraak: 27 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Reeuwijk,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2005 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een bedrijf voor het bewerken van metaal en montage, gelegen op het adres [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 31 maart 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 11 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2005, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 juni 2005, waar verzoekers, van wie [gemachtigde] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. ing. N.M. Heemskerk, ing. M.J.H. Kijzers, J.F. Rins, medewerkers bij de Milieudienst Midden-Holland, en E.S. ten Cate, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ing. J.B. Levels-Vermeer, gemachtigde, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoekers voeren aan dat de bedrijven van vergunninghoudster en van [partij] moeten worden beschouwd als één inrichting, nu beide bedrijven gebruik maken van hetzelfde buitenterrein en dezelfde inrit en de producten van vergunninghoudster worden afgewerkt door [partij].

2.2.1.    Verweerder stelt dat de bedrijven niet als één inrichting kunnen worden beschouwd, aangezien de vennootschappen geen enkele juridische binding met elkaar hebben, de technische voorzieningen niet gemeenschappelijke worden gebruikt en de aard van de activiteiten van beide bedrijven van elkaar verschillen.

2.2.2.    Ter zitting is gebleken dat geen uitwisseling van personeel tussen beide bedrijven plaatsvindt en dat alleen het buitenterrein en de inrit gemeenschappelijk door de bedrijven worden gebruikt. Gelet hierop alsmede op hetgeen verweerder stelt, is het de Voorzitter niet aannemelijk geworden dat zodanige technische, organisatorische en functionele bindingen bestaan tussen de bedrijven dat deze als één inrichting moeten worden beschouwd. In zoverre ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3.    Verzoekers voeren aan dat de aanvraag niet voldoet aan de eisen van het Inrichtingen en vergunningenbesluit, aangezien de plattegrondtekeningen onvolledig zijn en het akoestisch rapport van DvL Milieu en Techniek van 29 mei 2002, nr. A-012006, op een aantal punten onjuist is. Zij betogen dat het aanvraagformulier van 5 maart 2002 en het akoestisch rapport van 29 mei 2002 tegenstrijdig zijn over het aantal vrachtwagenbewegingen.

2.3.1.    Eerst de Afdeling kan bij de behandeling van het beroep een definitief oordeel geven over de vraag of het aanvraagformulier en het akoestisch rapport tegenstrijdig zijn. Niet is gebleken dat de belangen van verzoekers op dit punt van dien aard zijn dat het oordeel van de Afdeling over hun beroep niet kan worden afgewacht.

   In hetgeen verzoekers overigens aanvoeren, is geen onverwijlde spoed gelegen die vereist dat een voorlopige voorziening moet worden getroffen in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure.

2.4.    Verzoekers voeren aan dat de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau te hoog zijn. Zij betogen dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid waarvan verweerder is uitgegaan onjuist is bepaald. Volgens hen is ten onrechte bij hun woning geen geluidgrenswaarde inclusief gevelreflectie gesteld.

2.4.1.    Blijkens de stukken heeft verweerder bij de beoordeling van het geluidaspect de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 gehanteerd. Niet in geding is dat ter plaatse van de burgerwoningen de omgeving kan worden gekarakteriseerd als landelijk gebied, waarvoor volgens de Handreiking richtwaarden gelden van 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Ingevolge voorschrift 2.1 gelden bij de burgerwoningen geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau die voornoemde richtwaarden niet te boven gaan. Bij de woning van verzoekers (immissiepunt 5) is een geluidgrenswaarde inclusief gevelreflectie gesteld.

   Voor de bedrijfswoning gelegen aan de [locatie 2] zijn geluidgrenswaarden gesteld van ten hoogste 44 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. De Voorzitter overweegt dat verweerder aan een bedrijfswoning minder bescherming tegen geluidhinder kan toekennen. Gelet hierop ziet de Voorzitter vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 2.1 in zoverre toereikend is ter beperking van de geluidhinder.

   In zoverre ziet de Voorzitter geen aanleiding het verzoek toe te wijzen.

2.5.    Verzoekers voeren aan dat het akoestisch rapport van DvL Milieu en Techniek van 29 mei 2002 op een aantal punten onjuist is. Volgens hen kan de gestelde piekgeluidgrenswaarde bij de woning [locatie 2] niet worden nageleefd. Zij betogen dat ten onrechte in voorschrift 2.3 niet is bepaald dat bij luidruchtige activiteiten de deuren en ramen ten allen tijde gesloten moeten zijn. Zij verzoeken om het treffen van voorlopige voorzieningen inhoudende dat het laden en lossen alleen mag plaatsvinden onder het meest zuidelijke gedeelte van de overkapping tussen de hallen, het bedrijf maximaal 7,5 uur per dag in werking mag zijn én audio- en visuele apparaten en telefoons buiten het bedrijf niet hoorbaar mogen zijn.

2.5.1.    De vraag of de geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd en welke maatregelen ten behoeve van de naleving nodig zijn, laat zich eerst bij de behandeling van de zaak ten gronde uitvoerig beantwoorden. Gelet op de thans berekende geluidbelasting en het feit dat de woning gelegen aan de [locatie 2] een bedrijfswoning is, is geen sprake van een zodanige geluidhinder dat de behandeling van het geding in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

2.6.    Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Leurs, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Leurs

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2005

372.