Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8735

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
06-07-2005
Zaaknummer
200503619/1 en 200503619/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2005, kenmerk 1079219, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Orgaworld B.V" een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor de op- en overslag en vergisting van vloeibare organische reststromen gelegen aan de Elsendorpseweg 6 te Gemert, kadastraal bekend gemeente Gemert, sectie P4, nummer 580. Dit besluit is op 14 maart 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503619/1 en 200503619/2.

Datum uitspraak: 29 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2005, kenmerk 1079219, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Orgaworld B.V" een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor de op- en overslag en vergisting van vloeibare organische reststromen gelegen aan de Elsendorpseweg 6 te Gemert, kadastraal bekend gemeente Gemert, sectie P4, nummer 580. Dit besluit is op 14 maart 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 22 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2005, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Verjans, in aanwezigheid van [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Benders en ing. G.M.P.F.H. Stekhuizen, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, en mr. ing. B. Raedts en ir. H. Kaskens, gemachtigden.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Ter zitting hebben appellanten de beroepsgrond inzake geurhinder en de geurcontour van 0,7 ge/m3 als 98 percentiel ingetrokken.

   De ter zitting gemaakte opmerking van appellanten dat de op 2 maart 2000 krachtens de Wet milieubeheer verleende oprichtingsvergunning is vervallen op grond van artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer, is nieuw ten opzichte van het beroepschrift en moet daarom buiten behandeling blijven.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4.    Appellanten vrezen voor besmettingsgevaar en betogen dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met dit aspect. Zij voeren aan dat de verwerking van dierlijke reststromen vanuit veterinair oogpunt nadelig kan zijn voor de nabijgelegen veehouderijbedrijven. Appellanten wijzen in dit verband in het bijzonder op het op het perceel [locatie] gevestigde varkensbedrijf.

2.4.1.    De Voorzitter stelt voorop dat besmettingsgevaar voor dieren weliswaar een onderwerp is dat in beginsel bij de bescherming van het belang van het milieu moet worden betrokken, maar dat dit in de eerste plaats regeling vindt in de wetgeving betreffende de dierengezondheid.

   De Voorzitter overweegt dat de bedrijfsactiviteiten blijkens de aanvraag, die onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, plaatsvinden in een gesloten systeem. Verder mogen ingevolge de aanvraag en voorschrift 5.1.3 van het bestreden besluit in de inrichting uitsluitend vloeibare organische (afval)stoffen worden bewerkt die geen categorie I-materiaal zijn als bedoeld in de Verordening (EG) nr. 1774/2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor de menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten. Verweerder heeft onweersproken betoogd dat uitsluitend categorie I-materiaal vanuit veterinair oogpunt nadelig kan zijn.

   Gezien het vorenstaande ziet de Voorzitter op grond van hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het besmettingsgevaar voor dieren in het onderhavige geval zodanig is dat verweerder de vergunning om die reden, in verband met de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer in hun onderlinge samenhang bezien, had moeten weigeren dan wel nadere voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden. De beroepsgrond faalt derhalve.

2.5.    Appellanten verwachten geluidoverlast te ondervinden van de onderhavige inrichting. Zij betwijfelen of het referentieniveau op juiste wijze is vastgesteld.

2.5.1.    Verweerder heeft de hem ingevolge de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer toekomende beoordelingsvrijheid met betrekking tot de van de inrichting te duchten directe geluidhinder ingevuld door toepassing van hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 (wat betreft de maximale geluidniveaus) en hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking).

   In hoofdstuk 4 van de Handreiking is bepaald dat zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld, bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden. Voor bestaande inrichtingen wordt aanbevolen de aanvraag om vergunning opnieuw te toetsen aan de richtwaarden. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau tot een maximum van 55 dB(A) kan volgens de Handreiking in sommige gevallen aanvaardbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol spelen.

2.5.2.    Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft verweerder onder andere de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden.

   In voorschrift 3.1.1 zijn voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bij de immissiepunten 1 tot en met 4 grenswaarden gesteld variërend van 35 dB(A) tot 46 dB(A) in de dagperiode en 29 dB(A) tot 38 dB(A) in de avond- en nachtperiode.

   Uit voorschrift 3.1.2 volgt dat voor het piekgeluidniveau ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen grenswaarden zijn gesteld van respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.

2.5.3.    Blijkens de stukken moet het gebied waar de inrichting is gelegen worden gekwalificeerd als een landelijke omgeving, waarvoor richtwaarden gelden van 40, 35 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder bij het vaststellen van de in voorschrift 3.1.1 gestelde grenswaarden heeft beoogd aan te sluiten bij het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid. Verweerder heeft ter bepaling van het referentieniveau van het omgevingsgeluid een akoestisch onderzoek uitgevoerd waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 28 september 2004. Het referentieniveau van het omgevingsgeluid wordt blijkens dit rapport bepaald door het lokale bestemmingsverkeer, enkele nabijgelegen agrarische bedrijven en door de op 150 meter van de inrichting gelegen provinciale weg N272. Uit het rapport blijkt verder dat verweerder rekening heeft gehouden met het ter plaatse van de woning [locatie] heersende omgevingsgeluid. De Voorzitter ziet, mede gezien het ter zitting verhandelde, geen aanleiding voor het oordeel dat de uitgangspunten dan wel de uitkomsten van voornoemd akoestisch onderzoek onjuist zouden zijn. De Voorzitter stelt voorts vast dat de in voorschrift 3.1.1 opgenomen geluidgrenswaarden de waarden van het door verweerder berekende referentieniveau niet overschrijden. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.6.    Appellanten maken bezwaar tegen de vergunde proefnemingen.

2.6.1.    Blijkens de aanvraag en de aan de vergunning verbonden voorschriften betreffen de proefnemingen tijdelijke activiteiten die betrekking hebben op of voortvloeien uit de binnen de inrichting uitgevoerde hoofdactiviteiten met als doel de ontwikkeling, verbetering en/of beproeving van nieuwe producten en/of bewerkings-, verwerkings- of productiemethoden. Verweerder heeft de voorschriften 5.5.1 tot en met 5.5.8 aan de vergunning verbonden. Hierin is onder meer bepaald dat de proefnemingen dienen plaats te vinden binnen de ingevolge het bestreden besluit geldende milieuhygiënische randvoorwaarden en voorts dat slechts met de proefneming kan worden aangevangen als verweerder goedkeuring heeft verleend. De Voorzitter ziet geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit wat de proefnemingen betreft in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, nu de verplichtingen die dienaangaande voortvloeien uit de aan de vergunning verbonden voorschriften duidelijk en niet voor meerderlei uitleg vatbaar zijn. In hetgeen appellanten voor het overige hebben aangevoerd ziet de Voorzitter, mede gelet op het vorenstaande, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aangevraagde proefnemingen niet nopen tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. Deze beroepsgrond faalt.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep ongegrond;

II.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Montagne

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005

374.