Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8448

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
29-06-2005
Zaaknummer
200408244/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2004:AQ8870
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2003 heeft appellant (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwervergunning met binnenplanse vrijstelling verleend voor het bouwen van een groepsverblijfsruimte en een toiletvoorziening aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2006, 34 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Vastgoed en wonen 2005/435
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408244/1.

Datum uitspraak: 29 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Texel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 16 augustus 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2003 heeft appellant (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwervergunning met binnenplanse vrijstelling verleend voor het bouwen van een groepsverblijfsruimte en een toiletvoorziening aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 23 september 2003 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 augustus 2004, verzonden op 26 augustus 2004, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 7 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 november 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 januari 2005 heeft [wederpartij] een reactie ingediend.

Bij brieven van 14 januari 2005 en 29 maart 2005 heeft [vergunninghouder] een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2005, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.H. Witte, gemachtigde, en [wederpartij], bijgestaan door mr. P.G. Wemmers, advocaat te Alkmaar, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder] verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het college bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het bouwplan is voorzien op een afstand van meer dan 10 meter van de openbare weg. Daartoe wordt aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de verbindingsweg die vanaf de Pelikaanweg naar de groepsverblijfsruimte leidt, een openbare weg is. Subsidiair betoogt het college dat de rechtbank heeft miskend dat deze weg kan worden aangemerkt als een geschikte verbindingsweg als bedoeld in de bouwverordening. Daartoe is aangevoerd dat de feitelijke afwijking van de in de bouwverordening voorgeschreven breedte van de verbindingsweg zo marginaal is dat daaraan niet de zwaarwegende consequentie van een weigering van de bouwvergunning kan worden verbonden.

2.2.    Ingevolge artikel 2.5.3., eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Texel moet, indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, meer dan 10 m is verwijderd van een openbare weg, een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer.     Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening moet, een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld, een breedte hebben van ten minste 4,5 m en over een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard.

2.3.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet is een weg openbaar:

I. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;

II. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende die tijd is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap;

III. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbare weg heeft gegeven.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel lijdt het onder I en II bepaalde uitzondering wanneer, lopende de termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.

Ingevolge het derde lid kan dit kenbaar maken geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kentekenen.

2.4.    Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Woningwet, blijven de voorschriften van de bouwverordening buiten toepassing, voor zover deze niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan.

   Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Woningwet, blijven de voorschriften van de bouwverordening aanvullend van toepassing indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.

2.5.    Het perceel waarop het bouwplan is voorzien is via een verharde weg met een lengte van 350 meter ontsloten op de openbare Pelikaanweg. Deze verbindingsweg is deels eigendom van de Stichting Natuurschoonfonds Roerdalen, deels eigendom van [wederpartij] en deels eigendom van [vergunninghouder].

2.6.    De rechtbank is er op goede gronden vanuit gegaan dat de verbindingsweg niet kan worden aangemerkt als een openbare weg. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de weg sprake is van één van de situaties als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef, en onder I, II en III van de Wegenwet. Daarbij is van belang dat de rechthebbenden op de weg een recht van overpad hebben doen vestigen, onder meer ten dienste van respectievelijk [wederpartij] en [vergunninghouder]. Voorts is aan het begin van de verbindingsweg al ongeveer 8 jaar geleden een bord met de tekst "Eigen weg. Geen toegang voor onbevoegden" geplaatst, dat sindsdien niet meer is verwijderd.

2.7.    Niet is gebleken dat de gemeenteraad voor de verbindingsweg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 2.5.3., tweede lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening, zodat in beginsel de aldaar genoemde maten onverkort gelden.

2.8.    Niet in geschil is dat de verbindingweg niet voldoet aan het in genoemde bepaling gestelde vereiste dat deze over een breedte van 3,25 meter moet zijn verhard. Ten aanzien van het betoog van het college dat niettemin sprake is van een geschikte verbindingsweg als bedoeld in artikel 2.5.3 van de bouwverordening, althans dat deze bepaling niet zover strekt dat de bouwvergunning wegens strijd daarmee had moeten worden geweigerd, wordt als volgt overwogen.

   Gelet op het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Woningwet moet worden vastgesteld dat artikel 2.5.3. van de bouwverordening in beginsel van toepassing is gebleven, aangezien het ter plaatse geldende bestemmingsplan geen voorschriften bevat die hetzelfde onderwerp regelen en in dit plan evenmin is aangegeven dat de voorschriften van de bouwverordening in zoverre buiten toepassing moeten blijven. Hieruit volgt dat het college het bouwplan aan dit voorschrift had moeten toetsen. Nu dit voorschrift, gelet op de dwingende bewoordingen waarin het is gesteld, voor het college geen ruimte laat van de daarin opgenomen breedtemaat af te wijken, had het college in beginsel de gevraagde vergunning wegens strijd met deze bepaling moeten weigeren.

   Nu het college geen volledig onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de toepassing van artikel 2.5.3. van de bouwverordening voor het bouwplan, is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het besluit op bezwaar een zorgvuldige voorbereiding ontbeert, zodat het genomen is in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voorzover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.10.    Het college dient op de navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de uitspraak, voorzover aangevallen;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Texel tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 691,43 (zegge:zeshonderdeenennegentig euro en drieënveertig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door gemeente Texel aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Lodder

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005

17-381.