Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8444

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
29-06-2005
Zaaknummer
200501053/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op 6 september 2004 heeft verweerder met toepassing van artikel 5:24, vijfde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van appellant bestuursdwang toegepast als geregeld in artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht ter zake van het, in strijd met artikel 20, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening Utrecht 2004 door appellant ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de Emmalaan, ter hoogte van nummer 11, te Utrecht. De bestuursdwang heeft bestaan in het verwijderen van de afvalstoffen. Op 5 oktober 2004 is deze beslissing tot toepassing van bestuursdwang op schrift gesteld. Daarbij heeft verweerder kenbaar gemaakt dat de kosten voor het verwijderen, zijnde een bedrag van € 50,00, op grond van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht voor rekening van appellant komen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:24
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005/248 met annotatie van F.C.M.A. Michiels
M en R 2005, 76 met annotatie van V.M.Y. van &apos, t Lam
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/2735
JAF 2005/60 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2006/1295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501053/1.

Datum uitspraak: 29 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Op 6 september 2004 heeft verweerder met toepassing van artikel 5:24, vijfde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van appellant bestuursdwang toegepast als geregeld in artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht ter zake van het, in strijd met artikel 20, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening Utrecht 2004 door appellant ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de Emmalaan, ter hoogte van nummer 11, te Utrecht. De bestuursdwang heeft bestaan in het verwijderen van de afvalstoffen. Op 5 oktober 2004 is deze beslissing tot toepassing van bestuursdwang op schrift gesteld. Daarbij heeft verweerder kenbaar gemaakt dat de kosten voor het verwijderen, zijnde een bedrag van € 50,00, op grond van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht voor rekening van appellant komen.

Bij besluit van 22 december 2004, kenmerk 04.15943 JZ en 04.15944 JZ, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 2 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 maart 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. F.N. Barthel, advocaat te Zoetermeer, en verweerder, vertegenwoordigd door P.Ch. van Doorn en M. Prijs, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

   Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

   Ingevolge artikel 5:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt een beslissing tot toepassing van bestuursdwang op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking. Ingevolge het vierde lid wordt in de beschikking een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging van de bestuursdwang kunnen voorkomen door zelf de door het bestuursorgaan te omschrijven maatregelen te treffen. Ingevolge het vijfde lid behoeft geen termijn te worden gegund, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet. Ingevolge het zesde lid zorgt het bestuursorgaan, indien de situatie dermate spoedeisend is dat het de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.

2.2.    Op 24 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Utrecht krachtens artikel 10.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer de Afvalstoffenverordening Utrecht 2004 vastgesteld (hierna: de Verordening).

   In artikel 20, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat het college de dagen en tijden vaststelt waarop categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden. Ingevolge het tweede lid is het verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en tijden aan te bieden dan krachtens het eerste lid is bepaald.

   Ingevolge artikel XII van het Verzameluitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Utrecht 2004 is voor de wijk waarin de onderhavige locatie is gelegen als dag waarop huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst mogen worden overgedragen of ter inzameling mogen worden aangeboden vastgesteld: dinsdag. Het restafval kan vanaf 21.30 uur op de dag voorafgaand aan de dag van inzameling worden aangeboden tot uiterlijk  8.00 uur op de dag van inzameling.

2.3.    Ingevolge artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder beleidsregel verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.

   Bij besluit van 3 december 2002 heeft verweerder de Beleidsregel handhaving door de reinigingspolitie van de gemeente Utrecht door toepassing van (spoedeisende) bestuursdwang vastgesteld (hierna: de Beleidsregel). De Beleidsregel is op 18 december 2002 bekendgemaakt.

   In artikel 1 van de Beleidsregel is het volgende bepaald:

"1. Binnen de ter beschikking staande bevoegdheden heeft het college van burgemeester en wethouders besloten te kiezen voor toepassing van spoedeisende bestuursdwang in geval van handhaving door de Reinigingspolitie op een correcte naleving door de burgers van de milieuwetgeving en hieruit voortvloeiende lokale verordeningen zoals de Algemene Plaatselijke Verordening en de Afvalstoffenverordening.

2. Spoedeisende bestuursdwang houdt in dat geconstateerde overtredingen direct worden weggenomen. Er wordt derhalve in de beschikking geen begunstigingstermijn opgenomen omdat de spoedeisendheid zich hiertegen verzet."

   Ingevolge artikel 4:82 van de Algemene wet bestuursrecht kan ter motivering van een besluit slechts worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel.

   Ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

2.4.    Niet in geschil is dat op maandag 6 september 2004 vóór 21.30 uur huishoudelijke afvalstoffen, te weten één huisvuilzak, zijn aangetroffen aan de Emmalaan, ter hoogte van nummer 11, te Utrecht, zodat sprake was van een overtreding van artikel 20, tweede lid, van de Verordening en verweerder terzake handhavend kon optreden. Niet bestreden is voorts dat de huisvuilzak afkomstig was van appellant.

2.5.    Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte geen begunstigingstermijn heeft geboden waarbinnen appellant zelf maatregelen kon treffen om de overtreding ongedaan te maken en dat geen spoedeisend belang is aangetoond. Volgens appellant ziet verweerder, door de Beleidsregel te hanteren, ten onrechte stelselmatig af van een begunstigingstermijn als bedoeld in artikel 5:24, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Appellant betoogt voorts dat verweerder onvoldoende zorgvuldig heeft afgewogen of zich bijzondere omstandigheden voordeden op grond waarvan in het onderhavige geval van de Beleidsregel diende te worden afgeweken.

2.5.1.    Verweerder stelt dat de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen op vaste inzameldagen onder meer gericht is op het vrijwaren van de openbare weg van afvalstoffen gedurende de overige dagen waardoor mede invulling wordt gegeven aan het gemeentelijke beleid gericht op het schoon houden van de stad. Het te vroeg aanbieden van huisvuil verstoort volgens verweerder het voornoemde beleid, heeft een vuilaantrekkende werking, trekt ongedierte aan en heeft in algemene zin vervuiling tot gevolg. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er gezien deze negatieve gevolgen een spoedeisend belang gemoeid is met de directe verwijdering van op onjuiste wijze aangeboden huishoudelijke afvalstoffen.

   Volgens verweerder is niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat van de beleidsregel inzake het toepassen van spoedeisende bestuursdwang zou moeten worden afgeweken.

2.5.2.    De Afdeling overweegt dat, gelet op het bepaalde in artikel 5:24, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, slechts kan worden afgezien van het stellen van een termijn waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging van bestuursdwang kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.

   De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de handhaving van wettelijke voorschriften als het onderhavige inzake de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen in de regel een spoedeisend belang aanwezig is, gezien de mogelijke overlast en vervuiling door de verspreiding van op straat geplaatste afvalstoffen als zwerfvuil.

   De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de Beleidsregel in strijd is met artikel 5:24, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Deze beroepsgrond faalt.

2.5.3.    Voorzover het beroep zich richt tegen de toepassing van de Beleidsregel in het onderhavige geval en de motivering daarvan, overweegt de Afdeling dat de Beleidsregel een beleidsregel is als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder kon ter motivering van het bestreden besluit derhalve in beginsel volstaan met een verwijzing naar de Beleidsregel. Dit is slechts anders ingeval zich bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat zich een dergelijke omstandigheid voordeed.

   Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma    w.g. Van der Maesen de Sombreff

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005

190-483.