Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8442

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
29-06-2005
Zaaknummer
200410228/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2004 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Essent Milieu Wijster B.V." (hierna: Essent) een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 5000 per keer dat wordt geconstateerd dat GWW-compost, fractie 15-40 mm of vergelijkbare kwaliteit, wordt afgevoerd in strijd met artikel 10.37 van de Wet milieubeheer.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.37
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/1701
JB 2005/253
JAF 2005/61 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410228/1.

Datum uitspraak: 29 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2004 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Essent Milieu Wijster B.V." (hierna: Essent) een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 5000 per keer dat wordt geconstateerd dat GWW-compost, fractie 15-40 mm of vergelijkbare kwaliteit, wordt afgevoerd in strijd met artikel 10.37 van de Wet milieubeheer.

Bij besluit van 4 november 2004, kenmerk 44/8.2/2004008053, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 15 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 januari 2005.

Bij brief van 16 februari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2005, waar verweerder, vertegenwoordigd door ing. M.E. Koekoek en J. Wind, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 17 januari 2005 heeft verweerder zijn besluit van 25 juni 2004 tot oplegging van een last onder dwangsom ingetrokken wegens het staken van de overtreding door Essent. Nu appellanten hebben gesteld dat zij schade hebben geleden ten gevolge van het besluit van 25 juni 2004, en dit op voorhand niet is uit te sluiten, is de Afdeling van oordeel dat, anders dan verweerder heeft betoogd, appellanten nog belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

2.2.    Ingevolge artikel 20.13 van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht, kan tegen besluiten als het onderhavige bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld door een belanghebbende.

   Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Ingevolge artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen.

2.3.    Appellanten betogen dat verweerder hun bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellanten stellen dat Essent aan hen  compost levert ten behoeve van de aanleg van een aarden wal op een golfbaan te Tiendeveen, waarbij zij als mede-eigenaar van de golfbaan, verhandelaar respectievelijk vervoerder van de compost en uitvoerder van de werkzaamheden op de golfbaan zijn betrokken. Zij voeren aan dat zij, in verschillende hoedanigheden, kunnen worden beschouwd als 'een ander' als bedoeld in artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer en dat hun belangen daarom rechtstreeks zijn betrokken bij het besluit van 25 juni 2004  tot oplegging van een last onder dwangsom.

2.4.    De Afdeling overweegt dat het mogelijk belang van appellanten bij het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom voortvloeit uit contractuele relaties die zij met Essent dan wel onderling zijn aangegaan. Appellanten hebben derhalve wellicht een afgeleid belang, maar niet een belang dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dat artikel 10.37 van de Wet milieubeheer uitdrukkelijk melding maakt van 'een ander' aan wie de afvalstoffen worden afgegeven, maakt dat naar het oordeel van de Afdeling niet anders. Het begrip 'een ander' functioneert uitsluitend in het kader van de regeling die in artikel 10.37 van de Wet milieubeheer is neergelegd. De Afdeling is daarom van oordeel dat verweerder het bezwaar van appellanten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.5.    Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma    w.g. Van der Maesen de Sombreff

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005

190-483.