Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8439

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
29-06-2005
Zaaknummer
200410639/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 augustus 2003 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan appellant sub 3, onder verlening van vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning, op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Zundert, sectie: […], nummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2006/5
Module Vastgoed en wonen 2005/551
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410639/1.

Datum uitspraak: 29 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Zundert,

2.    [appellante sub 2], wonend te Zundert,

3.    [appellant sub 3], wonend te Zundert,

tegen de uitspraak in zaak no. 04/649 WRO van de rechtbank Breda van 1 december 2004 in het geding tussen:

appellante sub 2

en

het college van burgemeester en wethouders van Zundert

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2003 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan appellant sub 3, onder verlening van vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning, op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Zundert, sectie: […], nummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 16 februari 2004 heeft het college het daartegen door appellante sub 2 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 december 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante sub 2 ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van die uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 24 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2004, appellante sub 2 bij brief van 11 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellant sub 3 bij brief van 11 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2005, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 21 januari 2005. Appellante sub 2 heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 21 februari 2005.

Appellant sub 3 heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 9 februari 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 15 maart 2005 en 29 maart 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 21 maart 2005 heeft appellant sub 3 van antwoord gediend.

Bij brieven van 22 maart 2005 heeft appellante sub 2 van antwoord gediend.

Bij brief van 27 mei 2005 heeft appellante sub 2 een nader stuk ingediend. Dit is aan het college en appellant sub 3 toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2005, waar het college, vertegenwoordigd door J.J.H. Lahaije, ambtenaar bij de gemeente, en appellant sub 3 in persoon, bijgestaan door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, zijn verschenen. Appellante sub 2 is met bericht niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.        Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de begane grondlaag van de woning aan de achterzijde met 3 meter in de lengte en 5,50 meter in de breedte, waarbij tot de zijdelingse perceelsgrens een afstand wordt aangehouden van 0,10 meter. Het bebouwingspercentage zal na realisering van het bouwplan 55,3% bedragen.

2.2.        Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Zundert/Wernhout" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden (g.2)".

       In artikel 6, I, derde lid, onder c, sub 3, van de planvoorschriften is bepaald dat het bebouwingspercentage voor woningen op gronden die zijn bestemd voor woondoeleinden, aaneengesloten in maximaal twee bouwlagen (g.2), ten hoogste 40 mag bedragen.

       In artikel 6, I, derde lid, onder c, sub 4, van de planvoorschriften, is bepaald dat de afstand van woningen tot de niet aan de weg gelegen perceelsgrens 1 m. mag bedragen, met dien verstande dat bij aaneengesloten woningen de afstand van 1 m. niet van toepassing is voor de zijdelingse perceelsgrens waarin de woning is gesitueerd.

2.3.        Appellante sub 2 betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu sprake is van aaneengesloten woningen, artikel 6, I, derde lid, onder c, sub 4 van de planvoorschriften niet in de weg staat aan het bouwen tot in de perceelsgrens en dat derhalve geen vrijstelling nodig was. Volgens appellante sub 2 wordt immers niet gebouwd in de zijdelingse perceelsgrens, maar op een afstand van 10 centimeter vanwege de aanwezigheid van een erfafscheiding (schutting).

2.3.1.    Dit betoog faalt. Hoewel artikel 6, I, derde lid, onder c, sub, 4 voornoemd bepaalt dat bij aaneengesloten bebouwing de afstand van 1 meter tot de zijdelingse perceelsgrens niet van toepassing is, betekent dit niet dat bouwen tot 10 centimeter tot die grens in strijd is met die bepaling. Uit dit artikel volgt immers dat bij aaneengesloten bebouwing de afstand van 1 meter tot de zijdelingse perceelsgrens niet in acht behoeft te worden genomen en dus tot die perceelsgrens mag worden gebouwd. Dat betekent niet dat tot die perceelsgrens moet worden gebouwd, dus het in acht nemen van een afstand minder dan 1 meter is ook toegestaan.

   Aangezien het bestemmingsplan de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens regelt, blijven de voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening op de voet van artikel 9, eerste lid, van de Woningwet buiten toepassing.

    De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat bij aaneengesloten bebouwing bouwen op 10 centimeter afstand van de zijdelingse perceelsgrens is toegestaan en dat het college ten onrechte met betrekking tot dit onderdeel vrijstelling heeft verleend van het geldende bestemmingsplan.

2.3.2.    Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een ondeugdelijke motivering van de beslissing op bezwaar en daarmee van een materieel motiveringsgebrek, zodat de rechtbank, anders dan het college betoogt, terecht tot het oordeel is gekomen dat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Dit gebrek kan - anders dan bij een formeel motiveringsgebrek - niet met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden gepasseerd. Wel zou gedektverklaring van de gevolgen van de vernietiging op de voet van artikel 8:72, derde lid, van de Awb mogelijk zijn, indien de beslissing op bezwaar overigens geen gebreken zou hebben, maar daarvan is - zoals hierna zal blijken - geen sprake.

2.4.        Het college en appellant sub 3 betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet heeft gemotiveerd waarom de belangen van appellante sub 2 niet in de weg staan aan het verlenen van vrijstelling van het maximale bebouwingspercentage, als bedoeld in artikel 6, I, derde lid, onder c, sub 3, van de planvoorschriften.

2.4.1.    Het betoog faalt. In de beslissing op bezwaar heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte van 40% wordt overschreden en dat de verleende vrijstelling, nu deze niet meer noodzakelijk is voor het overschrijden van de maximaal toelaatbare bouwhoogte van bijgebouwen, kan worden geacht betrekking te hebben op de overschrijding van het maximaal toegestane bebouwingspercentage. In dit besluit wordt door het college geen nieuwe belangenafweging gemaakt. Nu bij het verlenen van vrijstelling van de maximaal toegestane bouwhoogte andere belangen aan de orde zijn en moeten worden meegewogen dan bij vrijstelling van het maximale bebouwingspercentage, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de beslissing op bezwaar op dit punt niet voldoet aan de in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde eis dat het besluit berust op een deugdelijke motivering.

2.4.2.    Voor zover het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat in de beslissing op bezwaar kon worden volstaan met een verwijzing naar het bij artikel 19, derde lid, van de WRO behorende vrijstellingsbeleid

- nu de overschrijding van het maximale bebouwingspercentage blijft binnen de in dat beleid genoemde grens van 60% -, overweegt de Afdeling het volgende. Dit betoog slaagt niet, omdat een dergelijke verwijzing niet in het besluit is opgenomen en omdat het vrijstellingsbeleid, dat eerst op 16 maart 2004 is vastgesteld, vanwege de ex tunc beoordeling van het besluit niet kan worden meegenomen. Met het oog op de nieuw te nemen beslissing op bezwaar wordt overwogen, dat het college ook overigens niet kan volstaan met een enkele verwijzing naar dit beleid, zoals bedoeld in artikel 4:82 van de Awb, nu in dit beleid is aangegeven dat een bebouwingspercentage van 60% tot de mogelijkheden behoort. Dit betekent dat nog steeds een belangenafweging dient plaats te vinden.

2.5.        Voorts betogen het college en appellant sub 3 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college door te verwijzen naar de norm NEN 2057, zoals genoemd in het Bouwbesluit, de door appellante sub 2 gestelde verminderde lichtinval door uitvoering van het bouwplan onvoldoende heeft weerlegd.

2.5.1.    Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen - verwezen zij naar de uitspraak van 29 december 2004, zaak nr. 200402601/1 - is de norm NEN 2057 enkel van toepassing op verblijfsruimten op het perceel waarop het bouwplan ziet en mag deze niet als toetsingskader worden gehanteerd voor beantwoording van de vraag in hoeverre het bouwplan een vermindering van daglichttoetreding voor het naburig perceel tot gevolg heeft. Dat de rechtbank in dit verband als voorbeeld het vervaardigen van schaduwdiagrammen noemt, acht de Afdeling niet onjuist, doch van een het college bindende overweging is daarbij geen sprake, nu het primair aan het college is om bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar een verantwoorde afweging van belangen te maken.

2.6.        Appellante sub 2 betoogt tenslotte dat de rechtbank ten onrechte het college niet heeft veroordeeld in de kosten van het op haar verzoek opgestelde lichtinvalrapport. Dit betoog faalt evenzeer. De beslissing omtrent het vergoeden van de kosten voor het opstellen van dit rapport, dat overigens dateert van het nemen van de thans ter beoordeling staande  beslissing op bezwaar, dient te worden betrokken bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar, waarbij (opnieuw) moet worden beoordeeld of sprake is van een zodanige onevenredige vermindering van de daglichttoetreding dat het college na afweging van de betrokken belangen de vrijstelling niet in redelijkheid kan handhaven.

2.7.        De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.        Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Van Roosmalen

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005

53-430.