Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8437

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
29-06-2005
Zaaknummer
200407012/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (hierna: het college) bouwvergunning aan appellant verleend voor het realiseren van een bergruimte aan de woning, gelegen op het perceel [locatie] te Roosendaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 280 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
BR 2005/224 met annotatie van B. Rademaker
Module Vastgoed en wonen 2005/719
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407012/1

Datum uitspraak: 29 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Roosendaal,

tegen de uitspraak in zaak no. 03/1187 van de rechtbank Breda van 13 juli 2004 in het geding tussen:

[wederpartijen], wonend te Roosendaal,

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (hierna: het college) bouwvergunning aan appellant verleend voor het realiseren van een bergruimte aan de woning, gelegen op het perceel [locatie] te Roosendaal.

Bij besluit van 17 april 2003 heeft college het daartegen door [wederpartijen] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2004, verzonden op 14 juli 2004, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartijen] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 september 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 november 2003 (lees: 21 november 2004) hebben

[wederpartijen]. een reactie ingediend.

Bij brief van 10 januari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Vervolgens zijn bij brief van 17 maart 2005 van het college, bij brief van 18 maart 2005 van [appellant] en bij brief van 25 maart 2005 van

[wederpartijen] nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. A.P.E. de Brouwer, advocaat te Roosendaal, is verschenen. Voorts zijn [wederpartijen] daar in persoon verschenen, vertegenwoordigd door mr. drs. N. Roovers, advocaat te Marum. Het college heeft zich, met kennisgeving, niet doen vertegenwoordigen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

   Ingevolge artikel 1:3, tweede lid, wordt onder beschikking verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van de aanvraag daarvan.

   Ingevolge artikel 1:3, derde lid, wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.  

2.2.     [wederpartijen] hebben op 11 juni 2002 van appellant de op het perceel [locatie] gelegen woning gekocht. Niet in geschil is dat appellant in het verleden aan die woning zonder vergunning een verblijfsruimte heeft aangebouwd, die bij verkoop van de woning was aangeduid als serre/speelkamer/tuinkamer (hierna: de serre) en die feitelijk ook als zodanig door appellant werd gebruikt. Op 2 oktober 2002 is de woning geleverd aan [wederpartijen]. Op 4 november 2002 heeft appellant de onderhavige bouwaanvraag ingediend. In overleg met de gemeente is de vergunningaanvraag aangepast en is vergunning gevraagd voor het geheel vernieuwen van een bergruimte.

2.3.    [wederpartijen] hebben in bezwaar en beroep bij de rechtbank betoogd, dat het college ten onrechte bouwvergunning heeft verleend voor een bergruimte, nu deze ruimte feitelijk moet worden aangemerkt als serre.

   De rechtbank heeft het beroep van [wederpartijen] gegrond verklaard en daartoe, kort weergegeven, overwogen dat de ruimte feitelijk wordt gebruikt als serre, dat dit gebruik in strijd is met de eisen van het Bouwbesluit en dat de bouwvergunning dan ook niet conform de aanvraag had mogen worden verleend.

2.4.    De Afdeling stelt voorop dat appellant als houder van de aan hem door het college verleende bouwvergunning belang heeft bij een beoordeling van het door hem ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank, nu het beroep van [wederpartijen] tegen het besluit tot handhaving van die vergunning bij die uitspraak gegrond is verklaard en het bij de rechtbank bestreden besluit is vernietigd.

   Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat [wederpartijen] geen rechtstreeks belang hebben bij de aan appellant verleende bouwvergunning en uit dien hoofde bij de beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk hadden moeten worden verklaard, faalt. Vast staat dat [wederpartijen] ten tijde van de door appellant aangevraagde bouwvergunning reeds eigenaar waren van de woning waarop deze aanvraag betrekking heeft. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [wederpartijen] als eigenaren en als bewoners van deze woning rechtstreeks in hun belang zijn getroffen door het besluit tot verlening van  de vergunning voor de bouw van een bergruimte ter plaatse van een tot hun woning behorende serre.

   Anders dan appellant tevens betoogt, was het belang van [wederpartijen] rechtstreeks betrokken bij de op hun bezwaar gegeven beslissing en heeft de rechtbank in de omstandigheid dat het [wederpartijen] vrijstond ook zelf een bouwvergunning ter legalisering van de betrokken aangebouwde ruimte te vragen, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat [wederpartijen] geen procesbelang hadden bij beoordeling van het door hen ingestelde beroep, nu de procedure loopt over de aan appellant vergunde bouw van een bergruimte.

2.5.    De Afdeling overweegt ambtshalve het volgende. Ter zitting in hoger beroep heeft appellant gesteld dat zijn belang bij het verzoek van 4 november 2002 is gelegen in het alsnog doen legaliseren van de illegaal door hem opgerichte serre opdat hij niet meer door de gemeente als overtreder kan worden aangeschreven het illegaal gebouwde te verwijderen. Nu evenwel vaststaat dat appellant heeft verzocht om vergunning voor het geheel vernieuwen van een berging, kon dit verzoek nimmer leiden tot het door appellant beoogde resultaat, te weten legalisering van de serre, en had hij uit dien hoofde geen belang bij het verzoek. Ook overigens is niet gebleken dat appellant enig rechtstreeks belang heeft bij de oprichting van een berging bij de inmiddels door hem verkochte en in eigendom overgedragen woning.  

   Bij gebreke aan zodanig belang kan zijn verzoek niet worden aangemerkt als een verzoek van een daarbij belanghebbende en derhalve niet als een aanvraag om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Dit betekent dat het college, dat naar niet in geschil is, op de hoogte was van de feitelijke situatie en het gebruik als serre, het verzoek ten onrechte als zijnde een aanvraag om bouwvergunning in behandeling heeft genomen. Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, heeft zij ten onrechte volstaan met het vernietigen van het besluit op bezwaar.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, voorzover daarbij het besluit van het college van 3 december 2002 tot verlening van een bouwvergunning voor een bergruimte in stand is gelaten. De Afdeling zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, dit besluit alsnog herroepen.

2.7.    Het door [appellant] betaalde griffierecht dient op na te melden wijze aan hem te worden vergoed. Voor een proceskostenveroordeling ten gunste van [appellant] bestaat geen aanleiding, nu sprake is van een ambtshalve gegrondverklaring en de onderliggende besluiten van het college, anders dan door appellant in hoger beroep is betoogd, rechtens niet houdbaar zijn.

2.8.    Het college dient op hierna te vermelden wijze in de proceskosten van [wederpartijen], gemaakt in hoger beroep, te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 juli 2004, 03/1187, voorzover daarbij het besluit van burgemeester en wethouders van Roosendaal van 3 december 2002, waarbij aan [appellant] een bouwvergunning is verleend voor een bergruimte aan de woning, gelegen op het perceel [locatie] te Roosendaal, in stand is gelaten;

III.    herroept het besluit van burgemeester en wethouders van Roosendaal van 3 december 2002, 2002/1087;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    gelast dat de gemeente Roosendaal aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 205,00) vergoedt.

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal in de door [wederpartijen] en in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 693,74, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het totale bedrag dient door de gemeente Roosendaal te worden betaald aan [wederpartijen].

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Schortinghuis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005

66-423.