Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8436

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
29-06-2005
Zaaknummer
200408993/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2004 heeft de gemeenteraad van Ridderkerk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 januari 2004, het bestemmingsplan "Ridderkerk-Oost" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/309
OGR-Updates.nl 1001035
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408993/1

Datum uitspraak: 29 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2004 heeft de gemeenteraad van Ridderkerk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 januari 2004, het bestemmingsplan "Ridderkerk-Oost" vastgesteld.

Bij besluit van 28 september 2004, kenmerk DRM/ARB/04/2425A, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] per fax van 5 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2004, [appellant sub 2] bij brief van 2 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 8 november 2004, en [appellant sub 3] bij brief van 18 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 4 mei 2005 een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2005, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. H.D. Cotterell, advocaat te Breda, [appellant sub 2], in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J. du Pont, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door ing. A.C.P. van Kruijssen, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door [directeur] en bijgestaan door mr. M.I. van den Heuvel, advocaat te Breda. [appellant sub 3] is niet verschenen.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.2.    Het plan voorziet in een planologische regeling voor de wijk Ridderkerk-Oost. Het maakt onder meer een gezondheidscentrum met een apotheek aan de Jan Luykenstraat en een achttal herenhuizen en een appartementencomplex op de zogenoemde herontwikkelingslocatie "'s Gravenhof" aan de Burgemeester de Zeeuwstraat mogelijk.

Gezondheidscentrum aan de Jan Luykenstraat

2.3.    [appellant sub 1] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" aan de Jan Luykenstraat. Zij is van mening dat haar bezwaren ten onrechte niet in de inspraakfase zijn meegenomen en dat deze ten onrechte niet zijn overgelegd aan degenen die betrokken zijn bij het overleg ingevolge artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985). Tevens voert zij aan dat het plandeel dat voorziet in een gezondheidscentrum met een apotheek, een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau ten aanzien van apotheken in Ridderkerk tot gevolg zal hebben. Het voorziene gezondheidscentrum met apotheek direct tegenover de apotheek van appellante aan de Jacob Catsstraat zal volgens haar het voortbestaan hiervan onmogelijk maken.

Het bestreden besluit

2.4.     Verweerder heeft geen reden gezien dit plandeel in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft dit goedgekeurd. Hij is van mening dat een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zich niet zal voordoen als gevolg van het voorziene gezondheidscentrum met apotheek. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het reguleren van concurrentieverhoudingen of het beschermen van de marktpositie van specifieke reeds bestaande voorzieningen geen argument vormt bij de bestemmingstoedeling.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.    Bij brief van 20 september 2002 heeft het hoofd van de afdeling Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Grondzaken van de gemeente Ridderkerk naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek aan de raadsman van appellante toegezegd, voor zover zich in de nabije toekomst concrete ontwikkelingen zullen voordoen met betrekking tot de oprichting van een gezondheidscentrum, hem hiervan op de hoogte te zullen houden.

    Vervolgens heeft de raadsman van appellante het college van burgemeester en wethouders bij brief van 8 oktober 2002 verzocht hem ervan op de hoogte te stellen zodra de interne besluitvorming is afgerond en het voorontwerpbestemmingsplan de inspraakronde wordt ingestuurd.

    Het voorontwerpbestemmingsplan heeft van 22 november 2002 tot 20 december 2002 voor een ieder ter inzage gelegen en gedurende deze periode kon schriftelijk een inspraakreactie worden ingediend. Bij brief van 6 januari 2003 heeft het hoofd van de afdeling Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Grondzaken hiervan mededeling gedaan aan de raadsman van appellante. [appellant sub 1] heeft geen gebruik gemaakt van deze inspraakmogelijkheid.    

2.6.1.    Ingevolge artikel 1, onder 20, van de planvoorschriften wordt onder maatschappelijke voorzieningen verstaan: voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, cultuur, religie, sport, onderwijs, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen sectoren.          

     Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Maatschappelijke doeleinden (M)" bestemd voor maatschappelijke voorzieningen. Het bestreden plandeel met deze bestemming maakt een gezondheidscentrum met apotheek mogelijk op ongeveer 30 meter afstand van de reeds bestaande apotheek van appellante aan de Jacob Catsstraat.

2.6.2.    In opdracht van appellante is een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het voorziene gezondheidscentrum voor haar apotheek. Het betreft het onderzoek van "BDO Accountants & Adviseurs" van 13 augustus 2004. Blijkens dit onderzoek beschikt Ridderkerk over vijf apotheken. De komst van een nieuwe apotheek in Ridderkerk zal negatieve effecten kunnen hebben op het klantenbestand van deze apotheken en, gelet op de ligging van de voorziene apotheek nabij die van appellante, met name op het klantenbestand van deze apotheek, aldus het onderzoek.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    De Afdeling stelt vast dat in het algemeen geen verplichting bestaat eventuele belanghebbenden persoonlijk op de hoogte te stellen van de terinzagelegging van een voorontwerpbestemmingsplan. In dit geval heeft het gemeentebestuur echter de in de brief van 20 september 2002 van gemeentewege gedane mededeling geen gevolg gegeven en heeft het op het namens appellante bij brief van 8 oktober 2002 gedane verzoek eerst na afloop van de inspraakronde gereageerd. De Afdeling acht deze gang van zaken onzorgvuldig. Van een gemeentebestuur mag worden verwacht dat het aan een mededeling als hier aan de orde, gevolg geeft en dat het op een verzoek tijdig reageert. De vraag of aan deze gang van zaken gevolgen moeten worden verbonden, kan echter niet los van de inhoudelijke bezwaren van appellante worden bezien. Ter zake overweegt de Afdeling het volgende.

   Een goede ruimtelijke ordening wordt verkregen door het coördineren en afwegen van de verschillende belangen die bij het gebruik van de in het plan begrepen gronden en opstallen zijn betrokken. De belangen van [appellant sub 1] moeten in de belangenafweging ten aanzien van de inpassing van het voorziene gezondheidscentrum met apotheek dan ook worden afwogen.  

   Voorzover de bezwaren van appellante zijn ingegeven door concurrentievrees, bestaat in beginsel echter geen aanleiding om in het kader van een goede ruimtelijke ordening terzake regulerend op te treden. Slechts in het geval zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in dit opzicht zal voordoen, zodanig dat sprake is van een in planologisch opzicht onaanvaardbare situatie, is hiervoor plaats. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het voorziene gezondheidscentrum met apotheek een negatieve invloed kan hebben op de omzet en winst van de apotheek van appellante. Daling van omzet en winst door de komst van een concurrent brengt echter als zodanig geen duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau met zich. Niet aannemelijk is gemaakt dat de vestiging van het gezondheidscentrum met apotheek zal leiden tot een zodanige daling van het voorzieningenniveau ten aanzien van apotheken in Ridderkerk, dat de aflevering van geneesmiddelen gevaar loopt.        

2.7.1.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling voorts onvoldoende grond om over te gaan tot vernietiging van het bestreden besluit wegens het onzorgvuldige handelen van het gemeentebestuur. Voorzover appellante van mening is dat de bovengenoemde bezwaren bij het overleg ingevolge artikel 10 van het Bro 1985 hadden moeten worden betrokken overweegt de Afdeling dat het college van burgemeester en wethouders niet verplicht is dergelijke bezwaren toe te sturen aan degenen die zijn betrokken bij dit overleg.

   In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het bestreden plandeel. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Locatie "'s Gravenhof"

Standpunt [appellant sub 2] en [appellant sub 3]

2.8.    [appellant sub 2] en [appellant sub 3] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden (W)" aan de Burgemeester de Zeeuwstraat 1. [appellant sub 2] voert daartoe aan dat de voorziene woningen zijn woon- en leefklimaat onaanvaardbaar zullen aantasten. In dit verband vreest hij parkeerhinder. Hij is van mening dat door de bouwwerkzaamheden schade zal ontstaan aan de oude en niet onderheide woningen aan de Kerkweg. Voorts is hij van mening dat door de bouw van de woningen het groene karakter van de buurt verloren zal gaan en de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide zal worden overschreden. [appellant sub 3] is van mening dat op de bestreden plandelen te veel woningen mogelijk worden gemaakt.

Het bestreden besluit

2.9.    Verweerder heeft geen reden gezien deze plandelen in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft deze goedgekeurd. Hij stelt in het bestreden besluit dat de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide van 40 microgram per m³ ter plaatse niet wordt overschreden. Hij is van mening dat het woon- en leefklimaat van omwonenden niet ernstig zal worden aangetast. Verweerder is van mening dat ernstige parkeerproblemen als gevolg van de voorziene woningen zich niet zullen voordoen.

Vaststelling van de feiten

2.10.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.10.1.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Woondoeleinden (W)" bestemd voor het wonen met dien verstande dat op de gronden met de aanduiding "ondergrondse parkeervoorziening" tevens een ondergrondse parkeervoorziening is toegestaan.    

      Ingevolge artikel 8, derde lid, onder c, mogen de hoofdgebouwen op de gronden met de nadere aanwijzing (t) uitsluitend vrijstaand of twee-aan-een worden gebouwd.  

     Ingevolge artikel 8, derde lid, onder d, mogen de hoofdgebouwen uitsluitend op de gronden met de nadere aanwijzing (g) gestapeld worden gebouwd.

      Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, mag een bouwwerk uitsluitend worden gebouwd binnen de op de kaart achter de bestemmingsaanduiding in meters aangegeven bouwhoogte voor hoofdgebouwen, indien deze niet nadrukkelijk in deze voorschriften is aangegeven.    

    Op de plankaart is het omstreden plandeel dat voorziet in een appartementencomplex voorzien van de nadere aanwijzing (g) en op dit plandeel is een maximale bouwhoogte van 13 meter aangegeven. Op de plankaart is het bestreden plandeel dat voorziet in niet-gestapelde woningen voorzien van de nadere aanwijzing (t) en op dit plandeel is een maximale goothoogte van 6 meter aangegeven.

      Direct grenzend aan deze plandelen zijn plandelen met de bestemming "Verblijfsgebied (VG)" gelegen, waar ingevolge artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften onder meer parkeervoorzieningen zijn toegestaan. De voorziene gestapelde woningen zullen parkeerplaatsen op het plandeel met de bestemming "Verblijfsgebied (VG)" aan de Hortensiastraat krijgen. De niet-gestapelde woningen zullen parkeerplaatsen op eigen terrein krijgen.

2.10.2.    De gronden waarop de woningen zullen worden gebouwd hebben een omvang van ongeveer 2.500 m². In het appartementencomplex komen 13 appartementen en 10 wooneenheden voor begeleid wonen. Aan de Kerkweg zullen acht herenhuizen worden gebouwd, uitgevoerd in vier blokken van twee woningen. Het voorziene appartementencomplex staat op een afstand van ongeveer 45 meter van de woning van [appellant sub 2]. De voorziene niet-gestapelde woningen staan op een afstand van ongeveer 25 meter van deze woning.  

2.10.3.    Door de verschillende bouwhoogten bij de voorziene gestapelde  woningen en niet-gestapelde woningen zal een gelede opbouw ontstaan. Blijkens de stukken is hiermee beoogd een overgang te maken tussen de karakteristieke lintbebouwing aan de Kerkweg en de meer stedelijke bebouwing aan de Burgemeester de Zeeuwstraat. De goothoogte van de niet-gestapelde bebouwing komt overeen met de toegestane goothoogte bij de reeds bestaande bebouwing aan de Kerkweg.

2.10.4.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, onder b, van het Besluit luchtkwaliteit, dient uiterlijk met ingang van 1 januari 2010 voor stikstofdioxide als grenswaarde in acht te worden genomen 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie.

2.10.5.    Ten behoeve van de voorbereiding van het bestemmingsplan is door het adviesbureau "RBOI" onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de plantoelichting. In deze toelichting staat vermeld dat de jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide van 40 microgram per m3  ter hoogte van de Burgemeester de Zeeuwstraat wordt overschreden. De achtergrondconcentratie is ter plaatse zo hoog, dat deze reeds een overschrijding van de grenswaarde tot gevolg heeft, aldus de toelichting. In het bestreden besluit is in dit verband gesteld dat de in de toelichting genoemde achtergrondconcentraties onjuist waren berekend. Uit gecorrigeerde berekeningen blijkt dat de jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide van 40 microgram per m3  niet wordt overschreden ter hoogte van de Burgemeester de Zeeuwstraat.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.    Voorzover [appellant sub 2] van mening is dat als gevolg van de voorziene woningen parkeerproblemen in de Kerkweg zullen ontstaan stelt de Afdeling vast dat het plandeel met de bestemming "Verblijfsgebied (VG)" aan de Hortensiastraat voorziet in parkeerplaatsen bij de gestapelde woningen. Bij de niet-gestapelde woningen zal het parkeren op eigen terrein plaatsvinden. Ter zitting is gebleken dat deze parkeervoorzieningen enigszins verdiept zullen worden aangelegd. Ondergronds parkeren zal zich, anders dan [appellant sub 2] stelt, hier niet voordoen. Enige bestaande parkeerplaatsen in de Kerkweg zullen als gevolg van de inritten voor het parkeren op eigen terrein verdwijnen. De bestemming "Verblijfsgebied (VG)", die aan de Kerkweg is toegekend, maakt parkeren in het overige deel van deze weg mogelijk.

       Als gevolg van de voorziene woningen zullen enige bomen op de gronden tegenover de woning van [appellant sub 2] moeten worden gekapt. Gelet op de relatief beperkte omvang van de woningbouwlocatie is niet aannemelijk gemaakt dat hierdoor het groene karakter van de buurt ernstig zal worden aangetast. Voorts merkt de Afdeling op dat de niet-gestapelde woningen zijn voorzien van tuinen, die kunnen bijdragen aan het groene karakter van de buurt.  

        Ten aanzien van de gestelde aantasting van het uitzicht en de bezonning bij de woning van appellant is, gelet op de gelede opbouw van de woningbouw en de relatief ruime afstand hiervan tot deze woning, een ernstige aantasting van het uitzicht en de bezonning niet aannemelijk.

     Voorzover [appellant sub 2] als gevolg van bouwwerkzaamheden schade aan de oude en niet onderheide woningen aan de Kerkweg vreest is niet aannemelijk gemaakt dat bij deze werkzaamheden geen maatregelen mogelijk zijn ter voorkoming van eventuele schade.  

      [appellant sub 2] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de gecorrigeerde berekeningen inzake de luchtkwaliteit zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen dat verweerder zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide van 40 microgram per m3  wordt overschreden ter hoogte van de Burgemeester de Zeeuwstraat.

    De stelling van [appellant sub 3] dat te veel woningen mogelijk worden gemaakt is niet onderbouwd. Dat appellant een andere invulling van de woningbouwlocatie wenst doet niet af aan de vrijheid die aan de gemeenteraad toekomt om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Niet is gebleken dat de gekozen invulling van de woningbouwlocatie uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is.

2.11.1.    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij de bouw van de voorziene woningen dan aan de belangen van appellanten. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestreden plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de bestreden plandelen. Het beroep van [appellant sub 2] is geheel en het beroep van [appellant sub 3] is in zoverre ongegrond.

Artikel 8, vijfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften

Standpunt [appellant sub 3]

2.12.    [appellant sub 3] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 8, vijfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Daartoe voert hij aan deze vrijstellingsregeling ten onrechte voorziet in een te geringe uitbreidingsmogelijkheid van hoofdgebouwen omdat slechts is voorzien in een maximale diepte van het hoofdgebouw van 10 meter. Hij acht dit in strijd met het gemeentelijke beleid voor uitbreidingsmogelijkheden voor woningen in linten dat is neergelegd in de "Beleidsregel uitbreiding bestaande karakteristieke woningen in linten" van 9 juli 2002.

Het bestreden besluit

2.13.    Verweerder heeft geen reden gezien artikel 8, vijfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft dit planonderdeel goedgekeurd. Hij is van mening dat de in artikel 8, vijfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften opgenomen regeling voor uitbreidingsmogelijkheden bij karakteristieke woningen aan de Kerkweg uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is.

Vaststelling van de feiten

2.14.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.14.1.    Ingevolge artikel 8, derde lid, onder a, van de planvoorschriften, mag uitbreiding van woningen uitsluitend plaatsvinden in de vorm van aanbouwen, uitbouwen en/of bijgebouwen.

       Ingevolge artikel 8, vijfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het derde lid, onder a, teneinde een uitbreiding van hoofdgebouwen op percelen gelegen langs de Kerkweg mogelijk te maken, met dien verstande dat het woningen betreft met een maximumoppervlakte (grondgebruik) van het hoofdgebouw van 50 m² (….) en een maximale diepte (gemeten vanaf de voorgevel) van 8 m respectievelijk 6 m. De vrijstelling is gebonden aan de volgende criteria:                              

a.     de diepte van het hoofdgebouw, gemeten vanaf de voorgevel, mag bij situering haaks op de weg na vrijstelling maximaal 10 m bedragen;

2.14.2.    In de plantoelichting is opgenomen dat voor de karakteristieke kleine panden langs de Kerkweg een specifieke vrijstellingsregeling is opgenomen die het mogelijk maakt het bestaande hoofdgebouw uit te breiden. De uitbreiding moet aansluiten bij de oorspronkelijke maatvoering, inclusief dakhelling en het materiaalgebruik. Kenmerkend voor de Kerkweg zijn de relatief kleine woningen op ruime percelen uit het begin van de vorige eeuw en deels nog ouder. Zowel op de begane grond als op de verdieping (die veelal geheel in de kap is gelegen) is vaak een tekort aan ruimte om te voldoen aan hedendaagse woonwensen. Om deze bebouwing in de karakteristieke vorm te behouden is daarom gezocht naar passende uitbreidingsmogelijkheden, die reeds voor vergelijkbare situaties elders zijn vastgelegd in een gemeentelijke beleidsregel. Essentie van die regeling is het toestaan van beperkte uitbreiding van het hoofdgebouw van de woning. Op die wijze kan zowel uitbreiding van de begane grond als van de verdieping plaatsvinden en behoeft niet een omvangrijke aanbouw te worden gemaakt, aldus de toelichting.

2.14.3.    Het gemeentelijke beleid voor uitbreidingsmogelijkheden voor woningen in linten is neergelegd in de "Beleidsregel uitbreiding bestaande karakteristieke woningen in linten" van 9 juli 2002. Dit beleidsstuk heeft betrekking op de linten zoals aangegeven op een bij dit stuk behorende kaart. De Kerkweg is niet op de kaart aangegeven. Ten aanzien van de Kerkweg staat in dit beleidsstuk dat dit lint niet is opgenomen omdat het wordt meegenomen in het nieuwe bestemmingsplan voor Ridderkerk-Oost.      

2.14.4.    De woning van [appellant sub 3] ligt in het lint aan de Kerkweg en is haaks op deze weg gesitueerd. De woning voldoet aan de in artikel 8, vijfde lid, aanhef, van planvoorschriften opgenomen voorwaarden om in aanmerking te komen voor de vrijstellingsregeling. [appellant sub 3] wenst zijn woning uit te breiden en acht de in de vrijstellingsregeling opgenomen uitbreidingsmogelijkheden niet toereikend.

Het oordeel van de Afdeling

2.15.    De Afdeling acht het in de plantoelichting opgenomen beleid met betrekking tot de uitbreidingsmogelijkheden voor karakteristieke woningen in het lint aan de Kerkweg niet onredelijk.                        

    Voorzover [appellant sub 3] wijst op het bovengenoemde beleidsstuk stelt de Afdeling vast dat dit niet van toepassing is op het bovengenoemde lint. Dat in het kader van het bestemmingsplan ten aanzien van passende uitbreidingsmogelijkheden voor de Kerkweg vergelijkbare situaties, die voor andere linten zijn vastgelegd in dit beleidsstuk, in aanmerking zijn genomen maakt dit niet anders. Op grond van het in het beleidsstuk neergelegde beleid kunnen in enkele gevallen ruimere uitbreidingsmogelijkheden worden toegekend dan die in het plan voor de Kerkweg zijn toegekend, hetgeen echter niet met zich brengt dat voor de Kerkweg gelijke uitbreidingsmogelijkheden in het plan hadden moeten worden opgenomen. Niet gebleken is dat deze gevallen zodanig overeenkomen met de aan de orde zijnde situatie aan de Kerkweg, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan.

     Gelet op de doelstellingen van de gemeenteraad om omvangrijke aanbouwen bij de karakteristieke bebouwing aan de Kerkweg te voorkomen en de karakteristieke vorm van de bebouwing te behouden zijn de uitbreidingsmogelijkheden, die uitbouwen aan de zijgevel van woningen mogelijk maken, niet overgenomen uit het bovengenoemde beleidsstuk.

    Ten aanzien van het bezwaar van [appellant sub 3] dat de na vrijstelling toegestane diepte van het hoofdgebouw van 10 meter bij zijn woning 12 meter had behoren te zijn overweegt de Afdeling dat de norm waar appellant in dit verband op wijst alleen van toepassing is bij nieuwbouw. Anders dan bij het pand van appellant is er bij nieuwbouw geen te behouden karakteristiek.

    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in artikel 8, vijfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsregeling met het oog op het behoud van de karakteristiek van de woningen in het lint aan de Kerkweg aanvaardbaar is.

2.15.1.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 8, vijfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan artikel 8, vijfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Het beroep van [appellant sub 3] is in zoverre ongegrond.

2.16.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. R. Cleton en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Langeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005

317-459.