Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8435

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
29-06-2005
Zaaknummer
200308312/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 november 2003, kenmerk 2002/13207, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan Nuon Power Buggenum B.V. een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor het opwekken van elektriciteit door middel van het vergassen van kolen en afvalstoffen (biomassa) op het perceel Roermondseweg 55 te Buggenum. De vergunning is - voorzover deze betrekking heeft op de be- en verwerking van afvalstoffen - verleend voor een periode van tien jaar. Het besluit is op 20 november 2003 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 84K
Milieurecht Totaal 2005/2469
JOM 2007/657
OGR-Updates.nl 1000967
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200308312/1.

Datum uitspraak: 29 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de stichting "Stichting tot behoud leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste omgeving" gevestigd te Buggenum, en anderen,

2.    de stichting "Stichting Studiegroep Leudal e.o.", gevestigd te Haelen,

3.    het college van burgemeester en wethouders van Roggel en Neer,

4.    het college van burgemeester en wethouders van Swalmen,

5.    het college van burgemeester en wethouders van Haelen,

6.    de stichting "Stichting Milieufederatie Limburg" gevestigd te Maastricht, en andere,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2003, kenmerk 2002/13207, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan Nuon Power Buggenum B.V. een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor het opwekken van elektriciteit door middel van het vergassen van kolen en afvalstoffen (biomassa) op het perceel Roermondseweg 55 te Buggenum. De vergunning is - voorzover deze betrekking heeft op de be- en verwerking van afvalstoffen - verleend voor een periode van tien jaar. Het besluit is op 20 november 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 30 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2003, appellante sub 2 bij brief van 30 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2003, appellant sub 3 bij brief van 4 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2003, appellant sub 4 bij brief van 11 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2003, appellant sub 5 bij brief van 17 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2003, en appellanten sub 6 bij brief van 29 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2003, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 1 februari 2004. Appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 31 januari 2004. Appellanten sub 6 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 2 februari 2004.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 november 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1, sub 2, sub 5, sub 6, van verweerder, en Nuon Power Buggenum B.V. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2005, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door ing. A.M.L. van Rooij, gemachtigde, appellante sub 2, vertegenwoordigd door C.G. Klein, gemachtigde, appellant sub 3, vertegenwoordigd door H.W.P. van Roij, ambtenaar van de gemeente, appellant sub 5, vertegenwoordigd door mr. L. Janssen, ambtenaar van de gemeente, appellanten sub 6, vertegenwoordigd door mr. A.M. Mohnen, advocaat te Venlo, mr. H. Pasman, gemachtigde, en J.G. Vollenbroek, deskundige, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.J. Balendonck en ing. W. Scheper, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord Nuon Power Buggenum B.V., vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman en mr. M.M. Kaajan, beiden advocaat te Amsterdam, en J.T.W. Pastoors, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    De vergunning heeft betrekking op de verandering van de elektriciteitscentrale door op termijn jaarlijks 330 kiloton secundaire brandstoffen (bestaande uit biomassa en niet-gevaarlijke afvalstoffen) in te zetten voor de productie van elektriciteit. Deze brandstoffen worden meevergast in de bestaande kolenvergassingsinstallatie en zullen op termijn 30 procent van de totale brandstofinzet innemen. Verder is vergunning verleend voor het realiseren van voorzieningen voor de opslag van bepaalde secundaire brandstoffen en voor het transporteren en doseren van secundaire brandstoffen.

2.2.    Vergunninghoudster heeft gesteld dat het beroep van appellanten sub 6 niet-ontvankelijk is voor zover het zich keert tegen het feit dat zonder mogelijkheden van inspraak de acceptatieprocedure gewijzigd kan worden, het feit dat de voorschriften C.11 tot en met C.18 niet leiden tot voldoende inzicht in de samenstelling en stookwaarde van de secundaire brandstoffen, de duidelijkheid van voorschrift G.7 en de handhaafbaarheid van voorschrift G.8, dat het onduidelijk is om welke tijdsgemiddelden het gaat in de voorschriften G.10, G.11 en G.12, de in voorschrift G.12 gestelde normen voor stof en NOx, het ontbreken van een norm voor NOx in voorschrift G.15, het feit dat uit het voorschrijven van nadere onderzoeksverplichtingen blijkt dat de aanvraag onvoldoende informatie bevat en dat - in strijd met de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn) - het grote aantal onderzoeksverplichtingen de vergunning intransparant heeft gemaakt, geen meetregime voor de emissies in de vergunning is opgenomen, geen normen zijn opgenomen voor alle relevante parameters van bijlage III van de IPPC-richtlijn en de fakkel onbeperkt mag worden gebruikt.

2.2.1.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellanten sub 6 hebben de gronden inzake het zonder mogelijkheden van inspraak wijzigen van de acceptatieprocedure, het feit dat de voorschriften C.11 tot en met C.18 niet leiden tot voldoende inzicht in de samenstelling en stookwaarde van de secundaire brandstoffen, dat onduidelijk is om welke tijdsgemiddelden het gaat in de voorschriften G.10, G.11 en G.12, de in voorschrift G.12 gestelde normen voor stof en NOx, het ontbreken van een norm voor NOx in voorschrift G.15, en het feit dat uit het voorschrijven van nadere onderzoeksverplichtingen blijkt dat de aanvraag onvoldoende informatie bevat, niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht.

   Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 6 redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 6 in zoverre niet-ontvankelijk is.

   Verder stelt de Afdeling vast dat beroepsgronden inzake de voorschriften G.7 en G.8 zijn gericht tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht. Het beroep van appellanten sub 6 is daarom in zoverre ontvankelijk.

   Tot slot hebben appellanten sub 6 de bovengenoemde beroepsgronden inzake de IPPC-richtlijn niet in hun bedenkingen aangevoerd. De Afdeling is echter van oordeel dat dit niet in de weg staat aan beoordeling daarvan, nu het hier gaat om mogelijk rechtstreeks werkende bepalingen van Europees recht waarvan de handhaving door de nationale rechter moet worden verzekerd en de afwijzing van die beoordeling ertoe zou kunnen leiden dat het gemeenschapsrechtelijke effectiviteitsbeginsel wordt geschonden. Deze beroepsgronden zijn daarom ook ontvankelijk.

2.3.    Appellanten sub 2 en sub 5 voeren aan dat in het milieueffectrapport (hierna: het MER) ten onrechte geen onderbouwing is gegeven van de wijze waarop de jaarvrachten en emissieconcentraties zijn berekend. Verder betoogt appellant sub 5 dat de te verwachten geurhinder louter is gebaseerd op modelmatige berekeningen. Naar de mening van appellanten sub 2 en sub 5 had wegens deze tekortkomingen in het MER de aanvraag buiten behandeling moeten worden gelaten.

2.3.1.    Verweerder heeft betoogd dat de meetmethoden en de gedetailleerde resultaten van de uitgevoerde metingen om bedrijfseconomische redenen niet in het MER zijn vermeld. Ter zitting heeft hij gesteld dat hij in het kader van het beoordelen van de ontvankelijkheid van de aanvraag de bovengenoemde gegevens heeft ingezien en dat voor hem geen aanleiding bestond aan de juistheid en representativiteit daarvan te twijfelen. Verder heeft hij betoogd dat de Commissie MER in haar advies geen opmerkingen heeft gemaakt over de (on)juistheid van de gegevens over de concentraties en vrachten in het MER en dat zij evenmin aanleiding heeft gezien opmerkingen te maken over de bekendmaking van de methoden waarmee deze gegevens tot stand zijn gekomen.

2.3.2.    De Afdeling stelt vast dat in het MER in ieder geval de noodzakelijke gegevens zijn vermeld over de concentraties en jaarvrachten, zodat de vereiste beoordeling van de gevolgen voor het milieu heeft kunnen plaatsvinden. Gelet op het bovenstaande en op hetgeen in het deskundigenbericht over de juistheid en de representativiteit van de gegevens in het MER is gesteld, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder de aanvraag met toepassing van artikel 7.28, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met de artikelen 7.18, eerste lid, en 7.10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet milieubeheer buiten behandeling had moeten laten.

   Evenmin ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat verweerder de aanvraag buiten behandeling had moeten laten omdat in het MER bij de berekening van de verwachten geuremissies is uitgegaan van modelmatige berekeningen. Deze grond kan niet slagen.

2.4.    Appellanten sub 1 en sub 6 voeren aan dat de aanvraag onvolledig is en onjuistheden bevat en daarom niet in behandeling had mogen worden genomen. Zo menen zij dat bij de aanvraag geen gedetailleerd plan is overgelegd met betrekking tot procedures voor de acceptatie en verwerking van secundaire brandstoffen en de administratieve organisatie en interne controle daarvan (hierna: A&V-plan). Verder menen zij dat ten onrechte geen emissiemeetprogramma bij de aanvraag is gevoegd. Voorts betogen appellanten sub 1 dat een aantal met name genoemde rapporten en plannen ten onrechte niet bij de aanvraag is gevoegd. Appellanten sub 6 voeren tot slot aan dat de aanvraag onvoldoende informatie bevat over de (geur)emissies, het meetregiem en lekverliezen

2.4.1.    In de aanvraag is vermeld welke criteria voor de te accepteren afvalstoffen gelden en wat de te volgen procedures zijn. Verder dient ingevolge vergunningvoorschrift C.7 binnen drie maanden na het van kracht worden van de vergunning een (gedetailleerder) A&V-plan te worden opgesteld en ter goedkeuring aan verweerder te worden overgelegd. Voorts is in voorschrift C.10 bepaald dat vergunninghoudster gehouden is aan het goedgekeurde plan. Met betrekking tot het emissiemeet- en beheersprogramma is in voorschrift G.22 eveneens bepaald dat binnen drie maanden na het van kracht worden van de vergunning een dergelijk programma moet zijn opgesteld. In voorschrift G.23 is bepaald dat vergunninghoudster aan dit programma gehouden is.

   Ter zitting is gebleken dat beide plannen inmiddels bij verweerder zijn ingediend. Onder deze omstandigheden en in aanmerking nemende dat appellanten tegen de besluiten inzake de goedkeuring van het plan en het programma rechtsmiddelen kunnen aanwenden, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om het bestreden besluit op dit punt te vernietigen. Deze grond kan niet slagen.

   Met betrekking tot de overige door appellanten sub 1 met name genoemde rapporten overweegt de Afdeling dat er geen regelgeving bestaat die vereist dat deze rapporten bij de aanvraag om een milieuvergunning gevoegd moeten worden.

   Ook het overige dat appellanten sub 1 en sub 6 ten aanzien van de aanvraag hebben aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat deze aanvraag niet voldoet aan het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) of dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. Evenmin bestond voor verweerder anderszins reden om de aanvraag buiten behandeling te laten. De beroepen treffen op dit punt geen doel.

2.4.2.    Voorzover appellanten sub 1 aanvoeren dat de aanvraag te laat is aangevuld en mede daardoor de beslistermijn van art 3:28 Algemene wet bestuursrecht is overschreden, overweegt de Afdeling dat deze overschrijding de bevoegdheid van verweerder om een beslissing op de aanvraag te nemen onverlet laat. Ook deze grond treft geen doel.

2.4.3.    Appellanten sub 1 betogen dat de onderhavige inrichting op hetzelfde perceel is gevestigd als het perceel waarop ook de inrichting van Essent Milieu B.V. is gelegen en dat om die reden de aanvraag voor de onderhavige vergunning vergezeld had moeten gaan van een gezamenlijk milieu-effectrapport, veiligheidsrapport, rampenbestrijdingsplan en geurrapport.

   De Afdeling stelt vast dat het twee van elkaar te onderscheiden inrichtingen betreft die niet kunnen worden aangemerkt als één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer. Dat deze inrichtingen op hetzelfde perceel of dezelfde percelen zouden zijn gevestigd, maakt dat niet anders. De door appellanten genoemde rapporten behoefden dus niet gezamenlijk te worden opgesteld.

2.5.    Appellant sub 3 meent dat verweerder niet uitdrukkelijk is ingegaan op zijn bedenkingen. Verder betogen appellanten sub 6 dat verweerder niet is ingegaan op hun bedenkingen met betrekking tot de vrachtwagenbewegingen. Appellanten sub 1 stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte in het ontwerp van het besluit hun zienswijzen ten aanzien van de aanvraag en het MER niet juist heeft weergegeven. Het bestreden besluit is daarom naar hun mening onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

   Verweerder is in de considerans van het bestreden besluit ingegaan op de bedenkingen van appellanten sub 3 en sub 6. De desbetreffende beroepsgronden missen dan ook feitelijke grondslag. Ten aanzien van het betoog van appellanten sub 1 overweegt de Afdeling dat geen wettelijke regeling ertoe verplicht dat de tegen de aanvraag ingebrachte zienswijzen letterlijk worden weergegeven in het ontwerp van het besluit. Voorts constateert de Afdeling dat verweerder in het ontwerp van het besluit is ingegaan op de zienswijzen zoals appellanten sub 1 die naar voren hebben gebracht. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand is gekomen.

2.6.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.7.    Appellanten sub 3 en sub 6 betogen dat de in de vergunning gestelde normen voor de emissies van schadelijke stoffen te ruim zijn. Zij menen dat in de vergunning gestelde grenswaarden hiervoor niet zijn gebaseerd op de stand der techniek voor het reinigen van de rookgassen vanuit de diverse installaties binnen de inrichting. Naar hun mening is de bij het bestreden besluit verleende vergunning daarom in strijd met de IPPC-richtlijn. Voorts achten zij een toename van de emissie van schadelijke stoffen in strijd met deze richtlijn.

2.7.1.    In artikel 9, derde lid, van de IPPC-richtlijn is - voor zover hier van belang - bepaald dat de vergunning emissiegrenswaarden voor de verontreinigende stoffen bevat, met name die van bijlage III, die in significante hoeveelheden uit de betrokken installatie kunnen vrijkomen. De grenswaarden kunnen zonodig worden aangevuld of vervangen door gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen.

   In artikel 9, vierde lid, van de IPPC-richtlijn is - voor zover hier van belang - bepaald dat de emissiegrenswaarden, de parameters en de gelijkwaardige technische maatregelen, bedoeld in het derde lid, zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of technologie wordt voorgeschreven, met inachtneming van de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden.

2.7.2.    Niet in geschil is dat de onderhavige inrichting een installatie is waarop de IPPC-richtlijn van toepassing is. De artikelen 8.10 en 8.11, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer bieden de ruimte om te beslissen op een aanvraag om een vergunning met toepassing van die wet, waarbij geldt dat de vergunning de emissiegrenswaarden en/of gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen bevat, die zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken en waarbij de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie en de plaatselijke milieuomstandigheden in acht zijn genomen.

   In het deskundigenbericht is gesteld dat de technieken die binnen de inrichting worden toegepast voor het verwijderen van verontreinigingen in de rookgassen uit de installaties die emissies van schadelijke stoffen veroorzaken (de afgassenketel, de fakkel, de kolenmaal- en drooginstallatie (hierna: KMD) en de restgasnaverbrander) kunnen worden beschouwd als de beste beschikbare technieken, hetgeen tot uiting komt in de vergunde jaarvrachten. De Afdeling ziet in hetgeen appellant sub 3 en appellanten

sub 6 hebben aangevoerd geen aanknopingspunten om aan deze conclusie te twijfelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de aangevraagde en vergunde reinigingstechnieken, en de daarbij behorende emissiegrenswaarden, zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken. Evenmin ziet de Afdeling in hetgeen deze appellanten hebben betoogd grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de technische kenmerken, de geografische ligging van de inrichting, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden, geen aanleiding geven om bij de beoordeling van de aanvraag te eisen dat de vergunning strengere emissiegrenswaarden (dan wel parameters of gelijkwaardige technische maatregelen) bevat dan de emissiewaarden die optreden bij de thans vergunde inrichting. Verweerder heeft dan ook terecht de vergunning niet om deze reden geweigerd.

2.8.    Appellanten sub 6 voeren aan dat in strijd met artikel 9, derde lid, van de IPPC-richtlijn niet voor alle relevante stoffen, die in Bijlage III van die Richtlijn zijn genoemd, emissienormen zijn opgenomen.

   Blijkens het deskundigenbericht zijn in de vergunning voor alle verontreinigende stoffen, die in significantie hoeveelheden kunnen vrijkomen bij de aangevraagde activiteiten, grenswaarden gesteld. Verweerder heeft dan ook terecht op dit punt geen aanvullende voorschriften aan de vergunning verbonden.

2.9.    Appellanten sub 2 en sub 5 betogen dat de zware metalen niet groepsgewijs maar afzonderlijk dienen te worden genormeerd. Appellant

sub 5 wijst er in dit verband op dat in geval van groepsgewijze normering een bepaald metaal de norm kan opvullen.

   Verweerder heeft bij het stellen van de voorschriften G.10, G.11, G.14, G.15 en G.18 de zware metalen in vier groepen ingedeeld overeenkomstig de Nederlandse Emissierichtlijnen lucht (hierna de NeR). De groepen worden aangeduid met MVP1, sA.1, sA.2 en sA.3. De Afdeling acht dit, mede gezien het deskundigenbericht, toelaatbaar. In het deskundigenbericht is evenwel gesteld dat verweerder ten onrechte de stof vanadium heeft ingedeeld bij de groep sA.3 in plaats van de groep sA.1. Verweerder heeft dit erkend. Het bestreden besluit is daarom in zoverre in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen en dient in zoverre te worden vernietigd.

2.10.    Appellanten sub 1, sub 2, sub 3, sub 5 en sub 6 betogen dat ruimere emissiegrenswaarden voor schadelijke stoffen zijn gesteld dan voor de aangevraagde activiteiten nodig is. Appellanten sub 1 stellen voorts dat de emissiegrenswaarden voor fluoride en kwik te ruim zijn. Verder menen zij dat de normen voor stof en NOx in voorschrift G.12 te hoog zijn. Verder betogen appellanten sub 3 en sub 5 dat de emissienorm voor stof

(20 mg/m3), die in voorschrift G.15 voor de kmd is gesteld, te ruim is. Volgens hen kan een emissieconcentratie van 5 mg/m3 worden gehaald. Tot slot stellen appellanten sub 2 dat ten onrechte geen norm voor thallium is opgenomen.

2.10.1.    Mede gelet op het deskundigenbericht komen de grenswaarden in de voorschriften G.10, G.14, G.15 en G.18 (welke zien op de jaarvrachten dan wel emissieconcentraties van respectievelijk de afgassenketel, de kmd, de restgasnaverbrander en de fakkel) overeen met de vrachten en concentraties die in de aanvraag zijn genoemd.

   Ten aanzien van voorschrift G.12 - dat ziet op de emissieconcentraties vanwege de afgassenketel bij het vergassen van kolen en vuile biomassa - is, mede gezien het deskundigenbericht, voor NOx, SO2, stof, VOS en CO niet meer vergund dan in de aanvraag is vermeld.

   Met betrekking tot de in voorschrift G.12 neergelegde normen voor kwik, de som van de zware metalen (bestaande uit Sb, As, Pb, Cr, Co, Cu, Mn, Ni en V), de groep cadmium en thallium, HF, HCL, en dioxinen stelt de Afdeling vast dat deze opsomming van stoffen gelijk is aan het totaal aan stoffen die in de NeR zijn ingedeeld als klasse sA.1 tot en met sA.3 en MVP1, waarvoor in voorschrift G.10 jaarvrachten zijn gesteld.

   Blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, zijn de op basis van voorschrift G.12 geldende concentratiegrenswaarden als piekwaarden gesteld en zodanig ruim dat wordt voorkomen dat in geval een worst-case pakket aan secundaire brandstoffen wordt meevergast, de concentratienormen worden overschreden. Deze piekwaarden zijn dan ook hoger dan de jaargemiddelde concentraties, zoals die op basis van de in de aanvraag en het MER genoemde jaarvrachten kunnen worden berekend. Blijkens het deskundigenbericht is desondanks niet meer vergund dan aangevraagd, nu voor de stoffen die vallen onder klasse sA.1 tot en met sA.3 en MVP1 in voorschrift G.8 en G.10 jaarvrachten zijn gesteld. Deze jaarvrachten stemmen overeen met hetgeen in de aanvraag is vermeld. Naar het oordeel van de Afdeling is, gelet op het bovenstaande, gewaarborgd dat de jaarvrachten van de stoffen die vallen onder klasse sA.1 tot en met sA.3 en MVP1 - berekend op basis van voorschrift G.12 en het rookgasdebiet van de afgassenketel - niet hoger mogen zijn dan de jaarvrachtnormen die in de voorschriften G.8 en G.10 zijn gesteld. Het vorengaande leidt de Afdeling, mede gezien het deskundigenbericht, tot de slotsom dat voor de bovengenoemde stoffen niet meer vergund is dan op basis van de aangevraagde activiteiten nodig is. Voorts ziet de Afdeling, gelet op het deskundigenbericht, geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de normen voor fluoride, stof, NOx en kwik toereikend zijn ter bescherming van het milieu.

   Ten aanzien van voorschrift G.11 heeft verweerder erkend dat de in dit voorschrift gestelde grenswaarden - die zien op het vergassen van kolen in combinatie met schone biomassa - niet in het belang van de bescherming van het milieu zijn. Verder heeft verweerder in zijn brief van 16 december 2004 erkend dat ten onrechte de stof thallium niet is betrokken bij het stellen van de jaarvrachtnorm voor de klasse sA.1. Het bestreden besluit is daarom op deze punten in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen en dient in zoverre te worden vernietigd.

2.11.    Appellanten sub 2 betogen dat de aanleiding voor de aanvraag om de onderhavige vergunning, namelijk het verminderen van de uitstoot van CO2 als gevolg van de vergassing van kolen, geen reden mag zijn om een hogere emissie van andere schadelijke stoffen te vergunnen. Zij wijzen er op dat in het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Kyoto, 11 december 1997, Trb. 1999, 110), dat ziet op de vermindering van de mondiale en nationale uitstoot van CO2, hierover niets is bepaald. Appellanten sub 1 stellen dat het convenant "kolencentrales en CO2-reductie" (hierna: het kolenconvenant) geen toename van de emissie van kwik toestaat.

   Verweerder dient ingevolge de artikelen 8.8 en volgende van de Wet milieubeheer de nadelige gevolgen voor het milieu te beoordelen. Hierbij is, zoals appellante sub 2 terecht stelt, geen plaats voor compensatie of uitwisseling van van elkaar te onderscheiden nadelige gevolgen. Evenmin kan hierbij rekening worden gehouden met de aanleiding voor het indienen van de aanvraag om de vergunning. Het beroep treft in zoverre geen doel.

   Het betoog van appellanten sub 1 ten aanzien van het Kolenconvenant treft reeds geen doel omdat verweerder zich hierbij niet heeft aangesloten.

2.12.    Appellante sub 5 voert aan dat in de diverse voorschriften in hoofdstuk G van de vergunning, die zien op de emissieconcentraties, de term "actueel zuurstofgehalte" had moeten worden gedefinieerd, om te voorkomen dat door bijmengen met schone lucht lagere concentraties worden gemeten.

   Blijkens het deskundigenbericht is het actuele zuurstofgehalte niet anders te definiëren dan het zuurstofgehalte zoals dat ten tijde van de meting wordt vastgesteld. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk wat wordt bedoeld met het actuele zuurstofgehalte. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op dit punt geen aanvullend voorschrift nodig was. Deze grond kan niet slagen.

2.13.    Appellante sub 2 betoogt dat verweerder heeft toegezegd dat de milieubelasting vanwege het gehele industrieterrein waarop de inrichting ligt, met 25 procent zou worden teruggebracht. Naar haar mening is vergunningverlening voor de onderhavige inrichting in strijd met dat uitgangspunt.

   De Afdeling overweegt dat de aanvraag dient te worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer. Het honoreren van de door appellente sub 2 gestelde toezegging, daargelaten wat daarvan zij, gaat het in deze artikelen neergelegde beoordelingskader te buiten. Daarom kan aan deze toezegging in het kader van de onderhavige procedure geen gewicht worden toegekend.

2.14.    Appellant sub 3 voert aan dat de geurmetingen ten behoeve van de aanvraag hadden moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de Europese NEN-EN 13725. Naar hun mening bevatte deze norm ten tijde van de aanvraag de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

   Blijkens het deskundigenbericht zijn de geurmetingen uitgevoerd overeenkomstig de destijds geldende NVN 2820. De Afdeling acht dit niet in strijd met het recht. Deze beroepsgrond kan niet slagen.

2.15.    Appellanten sub 6 stellen zich op het standpunt dat niet duidelijk is hoe de in bijlage I van het bestreden besluit opgenomen mengregel voor de som van de zware metalen moet worden toegepast.

   De mengregel is blijkens voorschrift G.12 niet van toepassing op de som van de zware metalen. De grond kan reeds hierom niet slagen.

2.16.    Appellanten sub 1 voeren aan dat voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (hierna: fijn stof) en lood de immissiemetingen niet zijn uitgevoerd conform de artikelen 7 en 8 van de Meetregeling luchtkwaliteit van 9 juli 2001 (Stcrt. 2001, 135). Verder heeft verweerder ten onrechte niet voldaan aan de rapportageverplichting zoals bedoeld in artikel 19 van het Besluit luchtkwaliteit, aldus appellanten sub 1. Appellanten sub 1 en sub 3 menen verder dat de gemiddelde achtergrondconcentraties van bovengenoemde stoffen en de bijdrage van de onderhavige inrichting daaraan onvoldoende nauwkeurig zijn bepaald. Appellante sub 2 betoogt voorts dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de uitkomsten van een gezondheidsonderzoek, waarin staat dat de toename van fijn stof ongewenst is. Tot slot voeren appellanten sub 1 aan dat de effecten van de hoge fluorideïmmissie op nabijgelegen natuurgebieden niet zijn onderzocht.

2.16.1.    In het deskundigenbericht is gesteld dat bij de metingen naar de luchtkwaliteit in de omgeving van de inrichting gebruik is gemaakt van de beste beschikbare wetenschappelijke informatie. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat deze conclusie onjuist is. Voor zover appellante sub 1 heeft betoogd dat verweerder de rapportageverplichting uit artikel 19 van het Besluit luchtkwaliteit heeft geschonden, overweegt de Afdeling dat deze grond geen betrekking kan hebben op de rechtmatigheid van de bij het bestreden besluit verleende vergunning. Reeds om die reden kan de grond niet slagen.

   Met betrekking tot de heersende achtergrondconcentraties overweegt de Afdeling dat in de considerans van het bestreden besluit de heersende gemiddelde achtergrondconcentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, fijn stof en lood en de bijdrage van de onderhavige inrichting daaraan zijn weergegeven. Deze gegevens zijn gebaseerd op het MER en de door verweerder opgevraagde gegevens van het RIVM. De Afdeling ziet, mede gezien het deskundigenbericht, geen grond om aan de nauwkeurigheid van deze gegevens te twijfelen. Evenmin bestaan naar het oordeel van de Afdeling aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder in de resultaten van het gezondheidsonderzoek aanleiding had moeten zien om de vergunning te weigeren. Deze beroepsgrond faalt.

   Ten aanzien van de fluorideïmissie op nabijgelegen natuurgebieden overweegt de Afdeling dat blijkens het deskundigenbericht voor de ecologische immissienormen voor fluoride een norm kan worden aangehouden die tien maal hoger is dan de waarde voor het maximaal toelaatbare risico (hierna: MTR) die in de NeR is aanbevolen. Nu de immissies lager zijn dan de MTR-waarden, bestond naar het oordeel van de Afdeling dan ook geen aanleiding voor nader onderzoek naar de invloeden van de fluorideïmissie op de nabijgelegen natuurgebieden.

2.17.    Appellanten sub 4 en sub 6 betogen dat in strijd met de IPPC-richtlijn in de vergunning de meetmethode en -frequentie en de procedure voor de beoordeling van de metingen niet zijn voorgeschreven. Verder menen appellanten sub 6 dat de fakkel onbeperkt mag worden gebruikt en dat de vergunning intransparant is.

   In artikel 9, vijfde lid, van de IPPC-richtlijn is bepaald dat de vergunning passende eisen voor de controle op de lozingen bevat, met vermelding van de meetmethode en -frequentie, de procedure voor de beoordeling van de metingen, alsmede de verplichting de bevoegde autoriteit in kennis te stellen van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de controle op de naleving van de vergunningvoorwaarden.

   In de vergunning zijn geen voorschriften gesteld met betrekking tot de wijze waarop de emissies worden gemeten. Het bestreden besluit is daarom in zoverre in strijd met artikel 9, vijfde lid, van de IPPC-richtlijn en kan om reden op dit punt niet in stand blijven. Zoals de Afdeling in overweging 2.4.1 heeft overwogen, is op basis van voorschrift G.22 inmiddels een emissiemeetprogramma opgesteld en bij verweerder ingediend. Gelet hierop en omdat appellanten tegen het besluit inzake de goedkeuring van het meetprogramma rechtsmiddelen kunnen aanwenden, ziet de Afdeling grond om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand te laten.

   De grond dat de fakkel onbeperkt gebruikt mag worden mist feitelijke grondslag. In voorschrift G.15 zijn immers de jaarvrachten voor de emissies vanwege de fakkel vastgelegd. Verder hebben appellanten sub 6 in de stukken noch ter zitting aannemelijk gemaakt dat de vergunning niet transparant is.

2.18.    Appellanten sub 1 betogen dat de vergunning het mogelijk maakt dat gevaarlijk afval wordt geaccepteerd en dat, om dit te voorkomen, het A&V-plan deel had moeten uitmaken van de vergunning. Verder menen zij dat de door verweerder gehanteerde indeling in A-, B- en C-hout (afkomstig uit het LAP) in strijd is met de Regeling Europese Afvalstoffenlijst (hierna: de Regeling EURAL). Appellanten sub 2 en sub 6 menen voorts dat de redactie van de voorschriften C.4 en C.9 het mogelijk maakt de te accepteren stoffen en de acceptatieprocedure zonder inspraak van derden te wijzigen. Dat ingevolge voorschrift C.3 biomassa vallend onder de categorie "schone stromen" in de zin van de circulaire "Emissiebeleid voor energiewinning uit biomassa en afval" van het Ministerie van VROM (hierna: de circulaire) mag worden geaccepteerd, is volgens appellanten sub 1 en sub 2 eveneens in strijd met de Regeling EURAL.

2.18.1.    In voorschrift C.6 is bepaald dat geen gevaarlijk afval in de zin van de EURAL mag worden ingezet. Ter controle op de naleving van dit voorschrift is in voorschrift C.7 bepaald dat uiterlijk drie maanden na het in werking treden van de vergunning een A&V-plan moet zijn opgesteld en ter goedkeuring moet zijn overgelegd aan verweerder.

   Vergunninghoudster heeft bij brief van 14 april 2004 het A&V-plan bij verweerder ingediend. Verweerder heeft dit plan bij besluit van 6 mei 2004 geaccepteerd. Blijkens het deskundigenbericht kan bij naleving van het A&V-plan worden gewaarborgd dat geen afvalstoffen worden geaccepteerd die niet voldoen aan de acceptatie-eisen en grenswaarden die in de Regeling EURAL worden genoemd. Niet aannemelijk is geworden dat de vergunning een ontoereikend beschermingsniveau biedt voor de mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen ontstaan in de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van het goedkeuringsbesluit. De beroepsgrond kan niet slagen.

   Met betrekking tot de door verweerder gehanteerde indeling in A-, B- en C-hout en het feit dat schone stromen biomassa als bedoeld in de circulaire mogen worden geaccepteerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit in strijd zou zijn met de Regeling EURAL dan wel enige andere wettelijke regeling. Daarbij merkt de Afdeling op dat in voorschrift C.6 uitdrukkelijk is bepaald dat geen gevaarlijk afval in de zin van de Regeling EURAL mag worden geaccepteerd.

   Met betrekking tot het betoog dat de voorschriften C.4 en C.9 het mogelijk maken dat zonder inspraak van derden de te accepteren stoffen en de acceptatieprocedure gewijzigd kunnen worden, overweegt de Afdeling dat ingevolge deze voorschriften de goedkeuring van verweerder vereist is en dat het besluit omtrent goedkeuring een besluit is waartegen derden rechtsmiddelen kunnen aanwenden.

2.19.    Appellanten sub 6 stellen dat de gestelde emissiegrenswaarden niet naleefbaar en handhaafbaar zijn. Zij menen dat niet duidelijk is voor welke stoffen de in voorschrift G.7 neergelegde minimalisatieverplichting geldt, dat geen adequate kwikmetingen zijn voorgeschreven en dat voorschrift G.10 niet duidelijk en niet handhaafbaar is. Verder achten zij de in voorschrift G.14 opgenomen emissies voor de fakkel niet naleefbaar, omdat de fakkelemissies niet kunnen worden gemeten. Volgens hen hadden normen moeten worden opgenomen voor de samenstelling van de gassen alvorens deze naar de fakkel worden gevoerd en had vervolgens het aantal uren dat de fakkel in werking is, voorgeschreven moeten worden. Ook de fakkeltemperatuur had naar hun mening gereguleerd moeten worden. Appellant sub 4 meent dat ten onrechte niet in de vergunning is voorgeschreven hoe moet worden gehandeld als de emissienormen worden overschreden.

2.19.1.    De Afdeling stelt vast dat in voorschrift G.7 wat betreft de stoffen waarvoor een minimalisatieverplichting geldt, is verwezen naar hoofdstuk 4.15 van de NeR. Op basis van dit hoofdstuk kan worden vastgesteld voor welke stoffen de minimalisatieverplichting geldt. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat voorschrift G.7 in zoverre onduidelijk is. Verder ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat onduidelijk is voor welke stoffen in voorschrift G.10 grenswaarden zijn gesteld, zodat dit voorschrift om die reden niet handhaafbaar zou zijn. In dit voorschrift zijn immers eenduidig grenswaarden gesteld ten aanzien van de diverse schadelijke stoffen (al dan niet onder verwijzing naar de NeR) die vrijkomen uit de afgassenketel. Evenmin ziet de Afdeling, gelet op de gegevens die in de aanvraag zijn vermeld, aanleiding voor het oordeel dat de in voorschrift G.14 gestelde normen voor de fakkel niet naleefbaar zijn of niet gecontroleerd zouden kunnen worden.

   Met betrekking tot het betoog van appellant sub 4 overweegt de Afdeling dat geen rechtsregel verplicht tot het opnemen van voorschriften die bepalen hoe moet worden gehandeld indien de vergunning wordt overtreden. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.20.    Appellanten sub 1 betogen dat de vergunning onvoldoende waarborgen biedt tegen stofhinder als gevolg van de op- en overslag van vliegas en andere stuifgevoelige goederen.

   In vergunningvoorschrift G.4 en in de aanvraag, die blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, zijn de maatregelen ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder beschreven. Deze maatregelen stemmen overeen met de maatregelen die in paragraaf 3.8.1 van de NeR zijn aanbevolen. Verder is in voorschrift G.5 bepaald dat de ontluchting van de silo's waarin stuifgevoelige producten worden opgeslagen moet zijn voorzien van een deugdelijk werkende stoffilterinstallatie, waarbij de stofconcentratie van de gereinigde afgevoerde lucht niet meer mag bedragen dan 5 mg/m03. De Afdeling is, gelet op het deskundigenbericht van oordeel dat verweerder deze norm in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten om stofhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Gezien het bovenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op dit punt geen aanvullende voorschriften aan de vergunning behoefden te worden verbonden.

2.21.    Appellanten sub 1 voeren aan dat de emissies uit de schoorsteen uiteindelijk zullen neerslaan op het oppervlaktewater, en dat daarom een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) had moeten worden aangevraagd. De aanvraag om deze vergunning had naar hun mening ook gecoördineerd behandeld moeten worden met de aanvraag om de onderhavige vergunning. Verder betogen appellanten dat ook de uitvoering van de bodemsanering op het perceel van de inrichting gepaard zal gaan met lozingen op het oppervlaktewater.

   Verweerder heeft betoogd dat hem door Rijkswaterstaat is meegedeeld dat voor de activiteiten waarop het bestreden besluit ziet geen nieuwe Wvo-vergunning nodig is. Niet is gebleken dat verweerder niet mocht uitgaan van de juistheid van dat bericht. Verweerder heeft daarom de coördinatiebepalingen van artikel 7b van de Wvo terecht niet van toepassing geacht.

2.22.    Appellanten sub 1 betogen dat op enkele punten op de zonegrens de geluidgrenswaarde van 50 dB(A) en de maximaal toelaatbare geluidgrenswaarden (MTG's) die voor woningen binnen de zone zijn vastgesteld, niet kunnen worden nageleefd. Appellanten sub 6 voeren aan dat de immissiepunten A tot en met E, waarvoor in voorschrift I.1 grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn gesteld, niet duidelijk zijn vastgelegd.

2.22.1.    Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd aangegeven dat de door appellanten sub 1 bedoelde overschrijdingen worden veroorzaakt doordat rekening is gehouden met geluidruimte, die is gereserveerd voor toekomstige uitbreidingen van inrichtingen op het industrieterrein waarop ook de onderhavige inrichting is gelegen. Als deze geluidruimte niet wordt meegerekend, zijn er volgens hem geen overschrijdingen van de zonegrenswaarde en de MTG's. Appellanten sub 1 hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Verweerder heeft dan ook terecht de vergunning om deze reden niet geweigerd.

   Met betrekking tot de immissiepunten stelt de Afdeling vast dat in bijlage II van het bestreden besluit is aangegeven op welke coördinaten de immissiepunten A tot en met E liggen en dat in het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport van 4 april 2003, nummer W.2001.1264.B, is aangegeven waar deze coördinaten liggen. Nu de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning, is naar het oordeel van de Afdeling duidelijk vastgelegd waar de immissiepunten A tot en met E liggen.

2.23.    Appellante sub 2 voert aan dat de vergunning voor een kortere termijn dan 10 jaar had moeten worden verleend.

   Ingevolge artikel 8.17, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2.2 van het Ivb, kan voor een inrichting als de onderhavige vergunning worden verleend voor ten hoogste tien jaar. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan verweerder voor een kortere termijn vergunning had moeten verlenen.

2.24.    Appellanten sub 1 en sub 2 betogen dat alvorens de vergunning kon worden verleend, een bodemsanering op het perceel van de inrichting had moeten worden uitgevoerd. Verder had in de considerans van het bestreden besluit moeten worden vermeld dat bij besluit van 23 mei 2003 voor een periode van twee jaar een lozing van cyanide is vergund.

   Deze gronden hebben geen betrekking op het bestreden besluit en kunnen om die reden niet slagen.

2.25.    Gelet op het bovenstaande zijn de beroepen van appellanten sub 2, sub 5 en sub 6, voorzover die zich richten tegen het ontbreken van een jaarvrachtnorm voor thallium, de groepsgewijze indeling van de zware metalen, voorschrift G.11 en voorzover in de vergunning geen emissiemeetprogramma is opgenomen, gegrond. Het bestreden besluit dient op deze punten te worden vernietigd. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voorzover in de vergunning geen emissiemeetprogramma is opgenomen. De beroepen van appellanten sub 2, sub 5 en sub 6 zijn voor het overige ongegrond. De beroepen van appellanten sub 1, sub 3 en sub 4 zijn geheel ongegrond.

2.26.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 6 te worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 6 niet-ontvankelijk wat betreft het zonder mogelijkheden van inspraak wijzigen van de acceptatieprocedure, het feit dat de voorschriften C.11 tot en met C.18 niet leiden tot voldoende inzicht in de samenstelling en stookwaarde van de secundaire brandstoffen, dat onduidelijk is om welke tijdsgemiddelden het gaat in de voorschriften G.10, G.11 en G.12, de in voorschrift G.12 gestelde normen voor stof en NOx, het ontbreken van een norm voor NOx in voorschrift G.15, en het feit dat uit het voorschrijven van nadere onderzoeksverplichtingen blijkt dat de aanvraag onvoldoende informatie bevat;

II.    verklaart de beroepen van appellanten sub 2, sub 5 en sub 6 gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 11 november 2003, kenmerk 2002/13207, voorzover het betreft het ontbreken van een jaarvrachtnorm voor thallium, de groepsgewijze indeling van de zware metalen, voorschrift G.11 en voorzover in de vergunning geen emissiemeetprogramma is opgenomen;

IV.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voorzover in de vergunning geen emissiemeetprogramma is opgenomen;

V.    draagt het college van gedeputeerde staten van Limburg op binnen 13 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI.    verklaart de beroepen van appellanten sub 1, 3 en 4 ongegrond en de beroepen van appellanten sub 2, sub 5 en sub 6 voor het overige ongegrond;

VII.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij appellanten sub 6 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.680,25 (zegge: duizend zeshondertachtig euro en vijfentwintig cent), waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Limburg aan appellanten sub 6 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII.    gelast dat de provincie Limburg aan appellanten sub 2, sub 5 en sub 6 het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor appellante sub 2, € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor appellant sub 5 en € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor appellanten sub 6 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van Helvoort

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005

361.