Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8427

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2005
Datum publicatie
29-06-2005
Zaaknummer
200504508/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loppersum (hierna: het college) aan het waterschap Noorderzijlvest tijdelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) verleend voor de duur van ten hoogste vijf jaren ten behoeve van het oprichten en in gebruik hebben van een tijdelijk baggerdepot op de percelen, kadastraal bekend gemeente Middelstum, sectie H, nos. 284, 285, 286, 287 en 278 (gedeeltelijk).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504508/2.

Datum uitspraak: 24 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/410 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 23 mei 2005 in het geding tussen:

verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Loppersum.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loppersum (hierna: het college) aan het waterschap Noorderzijlvest tijdelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) verleend voor de duur van ten hoogste vijf jaren ten behoeve van het oprichten en in gebruik hebben van een tijdelijk baggerdepot op de percelen, kadastraal bekend gemeente Middelstum, sectie H, nos. 284, 285, 286, 287 en 278 (gedeeltelijk).

Bij besluit van 7 maart 2005 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en met verbetering van de motivering en de grondslag de vrijstelling gehandhaafd.

Bij uitspraak van 23 mei 2005, verzonden op 25 mei 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 24 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 1 juni 2005 hebben verzoekers hun verzoek om voorlopige voorziening nader aangevuld.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 juni 2005, waar verzoekers, verschenen bij [gemachtigde], bijgestaan door [gemachtigde], en het waterschap Noorderzijlvest, vertegenwoordigd door mr. J.J. Feunekes en mr. J.C. Baron-van der Leest, beiden werkzaam bij het waterschap en ing. A.R. Wijnstra, gemachtigde, zijn verschenen.

Het college is met bericht van verhindering niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit geldt te meer, indien zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het besluit heeft getoetst en het daartegen ingestelde beroep ongegrond heeft geoordeeld.

2.2.    In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht, wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de vrijstelling in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.

Hierbij wordt in aanmerking genomen dat geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat de tijdelijkheid van de afwijking van het bestemmingsplan onvoldoende is gewaarborgd, te meer daar het een éénmalig project betreft.

Verder wordt in aanmerking genomen dat het verzoek van verzoekers om een voorlopige voorziening ten aanzien van de voor een periode van vijf jaar verleende vergunning op grond van de Wet milieubeheer bij uitspraak van de Voorzitter van 24 december 2004, no. 200407458/2 is afgewezen.  

2.3.    Gelet hierop en de betrokken belangen, waaronder het algemeen belang dat is gediend bij de baggerwerkzaamheden, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2005

328.