Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8414

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2005
Datum publicatie
29-06-2005
Zaaknummer
200501136/4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Ten Boer, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 juni 2004, het bestemmingsplan "Ten Boer, Dijkshorn" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501136/4.

Datum uitspraak: 23 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Ten Boer, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 juni 2004, het bestemmingsplan "Ten Boer, Dijkshorn" vastgesteld.

Bij besluit van 11 januari 2005, kenmerk 2004-18.600/2/A.16, RP, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 14 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 19 april 2005, heeft [verzoeker] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 juni 2005, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.J. van der Kooi, ambtenaar van de provincie, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door G. Heiminga, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. [verzoeker] is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Het plan

2.2.    Het plan voorziet onder meer in de bouw van een woonwijk van ongeveer 130 woningen en in de uitbreiding van een bedrijventerrein aan de noordoostzijde van de kern Ten Boer.

Standpunt [verzoeker]

2.3.    [verzoeker] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan en beoogt met zijn verzoek onomkeerbare gevolgen van inwerkingtreding van het plan te voorkomen. Daartoe voert hij aan dat verweerder onvoldoende is ingegaan op zijn bedenkingen. Voorts voert hij aan dat de voorziene woningen tegenover zijn perceel zijn woon- en leefklimaat ernstig zullen aantasten. In dit verband is gewezen op een advertentie uit 1991 waarin stond dat aan de noordzijde van het plangebied van de wijk Hamwijk II een blijvend vrij uitzicht zou zijn.

Het bestreden besluit

2.4.    Verweerder heeft het plan grotendeels goedgekeurd. In zoverre acht hij het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht. Hij is van mening dat een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat zich als gevolg van het plan niet zal voordoen. Ten aanzien van de bovengenoemde advertentie stelt verweerder zich op het standpunt dat indien er sprake zou zijn van gerechtvaardigde verwachtingen ten aanzien van blijvend vrij uitzicht dit niet met zich kan brengen dat de gemeenteraad voorgoed zijn vrijheid heeft verloren om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Voorzitter uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Bij het bestreden besluit zijn de bedenkingen van [verzoeker] samengevat weergegeven en in samenhang met andere bedenkingen behandeld.  

2.5.2.    Vast staat dat het uitzicht vanaf het perceel van [verzoeker] als gevolg van het plan blijvend zal veranderen.

2.5.3.    In het huis-aan-huisblad "Buurtproat" van april 1991 heeft onder de kop "Gemeente Ten Boer" in het kader van de verkoop van bouwkavels in de wijk Hamwijk II een advertentie gestaan. In deze advertentie stond dat aan de noordzijde van het plangebied een blijvend vrij uitzicht zou zijn. Vast staat dat dit onder meer het perceel van [verzoeker] betrof, die dit perceel blijkens het verhandelde ter zitting in januari 1991 heeft gekocht.  

     Uit het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat er in het kader van de verkoop van de bouwkavels gesprekken zijn geweest tussen de kopers en onder meer de toenmalige directeur Openbare Werken van de gemeente.

2.5.4.    De te bouwen woningen zijn op een minimale afstand van ongeveer 50 meter van de woning van [verzoeker] voorzien en hebben een maximale goothoogte van 6,50 meter.  

Het oordeel van de Voorzitter

2.6.    De Voorzitter overweegt dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat verweerder de bezwaren samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.6.1.    Ter zitting is namens het gemeentebestuur verklaard dat de zinsnede in de advertentie berustte op een misvatting. Daargelaten de vraag in hoeverre de bewuste passage verenigbaar is met het bepaalde in artikel 10 en 33, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, verwacht de Voorzitter niet, mede gelet op het tijdsverloop, dat de Afdeling in de hoofdzaak tot het oordeel zal komen dat de gewekte verwachting een dusdanig zwaarwegend belang vormt dat daaraan thans bij de afweging van de betrokken belangen een doorslaggevend gewicht had moeten toekomen.

    Voorzover door [verzoeker] wordt gewezen op de bovengenoemde gesprekken overweegt de Voorzitter dat in dit verband niet is gebleken van enige toezegging, nog daargelaten dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet terzake beslissingsbevoegden.                      

     Gelet op de relatief geringe maximale goothoogte van de voorziene woningen en de afstand tussen deze woningen en de woning van  acht de Voorzitter een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat als gevolg van het plan niet aannemelijk.  

2.6.2.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter voorshands geen aanleiding voor de verwachting dat in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of het recht. Gelet hierop komt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Neuwahl

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2005

280-459.