Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8412

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
29-06-2005
Zaaknummer
200503350/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2004 heeft verweerder goedkeuring verleend op grond van voorschrift B.5, onder a, verbonden aan de voor de inrichting van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Essent Milieu B.V." (hierna: Essent) bij besluit van 14 januari 2003, kenmerk 02/14318, krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning (hierna: de vergunning).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503350/2.

Datum uitspraak: 22 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting "Stichting tot behoud leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste omgeving", gevestigd te Buggenum, en anderen,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2004 heeft verweerder goedkeuring verleend op grond van voorschrift B.5, onder a, verbonden aan de voor de inrichting van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Essent Milieu B.V." (hierna: Essent) bij besluit van 14 januari 2003, kenmerk 02/14318, krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning (hierna: de vergunning).

Bij besluit van 1 maart 2005, verzonden op 7 maart 2005, heeft verweerder beslist op de hiertegen gemaakte bezwaren, en het primaire besluit daarbij ongewijzigd in stand gelaten.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 16 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 mei 2005.

Bij brief van 16 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 juni 2005, waar verzoekers, vertegenwoordigd door ing. A.M.L. van Rooij, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.W.M. van der Heijden en ing. H.P.G. Vinken, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is Essent, vertegenwoordigd door mr. M.G. Ramakers, gemachtigde, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    In de aan de vergunning verbonden voorschriften B.1 tot en met B.4 zijn regels gesteld omtrent de wijze waarop de acceptatie en verwerking van afvalstoffen in de inrichting moet plaatsvinden.

   Uit voorschrift B.5, onder a, volgt, kort weergegeven, dat de procedures voor de acceptatie en verwerking door verweerder moeten worden goedgekeurd.

   Bij het besluit van 18 oktober 2004, welk besluit bij de thans bestreden beslissing op bezwaar is gehandhaafd, heeft verweerder de in voorschrift B.5, onder a, bedoelde goedkeuring verleend.

2.3.    Tegen een goedkeuringsbesluit als hier aan de orde kunnen slechts belanghebbenden bezwaar maken en vervolgens beroep instellen. De Voorzitter gaat ervan uit dat van de verzoekers in ieder geval de stichting "Stichting tot behoud leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste omgeving" als belanghebbende kan worden beschouwd, zodat in zoverre geen beletsel bestaat om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan.

2.4.    Verweerder heeft, voorafgaand aan een op 27 januari 2005 gehouden hoorzitting van de adviescommissie voor de bezwaarschriften, aan de commissie een reactie op de bezwaarschriften gezonden. Dit stuk is op 17 januari 2005 door de commissie ontvangen, en in afschrift aan verzoekers gezonden.

   Verzoekers menen dat aldus, in strijd met artikel 7:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tien dagen voor de hoorzitting, en daarmee één dag te laat, een nader stuk is ingediend.

   Al aangenomen dat de weergegeven gang van zaken niet geheel in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen, valt niet in te zien dat verzoekers in hun (processuele) belangen zouden kunnen zijn geschaad door het al vóór de hoorzitting bekend worden van het standpunt van verweerder over hun bezwaren. De Voorzitter ziet in het betoog van verzoekers op dit punt dan ook geen enkele aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5.    Bij de beoordeling van het, bij het bestreden besluit gehandhaafde, goedkeuringsbesluit staat gezien de systematiek van de voorschriften B.1 tot en met B.5 centraal de vraag of de ter goedkeuring aangeboden procedures voldoen aan de daaraan in de voorschriften B.1 tot en met B.4 gestelde eisen. Hetgeen verzoekers naar voren brengen heeft grotendeels geen betrekking op deze vraag. Afgezien daarvan komt het betoog van verzoekers grotendeels neer op een herhaling van de argumenten die reeds aan de orde zijn geweest bij de behandeling van het hangende de bezwaarprocedure ingediende verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. Deze argumenten gaven destijds geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, en geven dat thans nog steeds niet.

   Voorzover het verzoek niet geheel neerkomt op een herhaling van het eerdere verzoek, geeft het evenmin aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. In dit verband merkt de Voorzitter op dat verweerder, anders dan verzoekers menen, terecht heeft geconcludeerd dat het betoog van verzoekers over de Bestrijdingsmiddelenwet en gevaarlijk afval geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van het bij het bestreden besluit gehandhaafde goedkeuringsbesluit. De stelling van verzoekers, tot slot, dat de onderliggende vergunning een 'lege huls' is omdat bij de aanvraag daarvan niet reeds een acceptatieprocedure was gevoegd, heeft evenmin betrekking op deze besluiten.

2.6.    Gezien het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Van der Zijpp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005

262.