Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8410

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
29-06-2005
Zaaknummer
200408374/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) een aanvraag van appellant om ontheffing als bedoeld in artikel 3 van de Leefmilieuverordening recreatie-inrichtingen c.a. (hierna: de verordening) ten behoeve van de uitbreiding van zijn café met een automatiek op het perceel [locatie] te Den Haag, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2005/2024
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408374/1.

Datum uitspraak: 29 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 september 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) een aanvraag van appellant om ontheffing als bedoeld in artikel 3 van de Leefmilieuverordening recreatie-inrichtingen c.a. (hierna: de verordening) ten behoeve van de uitbreiding van zijn café met een automatiek op het perceel [locatie] te Den Haag, afgewezen.

Bij besluit van 12 maart 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 september 2004, verzonden op 9 september 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 november 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2005, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. A.H. Westendorp, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M. Meerman, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2 van de verordening is het verboden te bouwen, werken en werkzaamheden te verrichten alsmede gronden en opstallen te gebruiken ten behoeve van recreatie-inrichtingen in het gebied aangegeven op de bij de verordening behorende kaart met arcering.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de verordening kunnen burgemeester en wethouders van het verbod in artikel 2 ontheffing verlenen, voorzover er geen sprake is van een achteruitgang van de woon- en werkomstandigheden in het gebied waarvoor het verbod van kracht is.

   Het beleid ter zake van het verlenen van ontheffingen is uitgewerkt in de toelichting op de verordening, onder punt 4. Voor nieuwe vestigingen in een woongebied houdt dit in dat in beginsel geen ontheffing wordt verleend.

2.2.    De door appellant gewenste uitbreiding houdt in dat in de ruimte naast zijn café een aantal automaten met etenswaren en frisdranken zal worden geplaatst. Bezoekers kunnen hun waren staand eten of meenemen. De automatiek zal anders dan het café een in- en uitgang hebben aan de [locatie].

2.3.    Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte en ongemotiveerd heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de beoogde automatiek zal leiden tot een achteruitgang van de woon- en werkomstandigheden in het gebied. Hij stelt dat met de plaatsing van een automatiek het karakter van het bestaande horecabedrijf niet verandert en voor een achteruitgang niet behoeft te worden gevreesd.

2.4.    Niet in geschil is dat de inrichting van appellant staat in een woongebied met uitsluitend portiekwoningen. Voorts is niet in geschil dat de aanvraag om ontheffing ten behoeve van de uitbreiding moet worden getoetst aan het beleid voor nieuwe vestigingen.

   De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de toename van het vloeroppervlak en de wijziging van de exploitatie een negatief effect hebben op de woon- en werkomstandigheden van het gebied. Het college heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat in de nabije omgeving een scholengemeenschap en een partycentrum zijn gevestigd. Niet bestreden is dat leerlingen van de scholengemeenschap respectievelijk bezoekers van het partycentrum gebruik zullen maken van de automatiek. Voorts heeft appellant niet weersproken dat vanuit het café geen direct toezicht op de bezoekers van de automatiek mogelijk is en dat daarom ook niet kan worden gezien waar de klanten hun waren nuttigen. De door appellant aangevoerde omstandigheden, zoals onder meer het feit dat aan de overzijde van de in- en uitgang van de automatiek geen gezinswoningen zijn en dat de stoep ter plaatse breed is, doen daar niet aan af. Zoals de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld leidt het feit dat appellant bereid is de openingstijden van de automatiek aan te passen, nog daargelaten of de Algemene Plaatselijke Verordening daartoe de mogelijkheid biedt, niet tot het oordeel dat het college niet het standpunt heeft mogen innemen dat sprake is van een negatief effect voor de omgeving.

   Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de gevraagde ontheffing heeft kunnen weigeren.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Van Tuyll van Serooskerken

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005

290.