Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8014

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
22-06-2005
Zaaknummer
200406328/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 december 2001 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven van de gemeente Rotterdam (hierna: het dagelijks bestuur) Kindercentrum "De Dikke Deur" gelast om, indien een aantal in een bijlage bij dit besluit opgesomde gebreken niet zijn opgeheven, vóór vrijdag 12 december 2001 het pand Heemraadssingel 99 te Rotterdam te ontruimen en ontruimd te laten. Voorts heeft het dagelijks bestuur daarbij bepaald dat, indien het Kindercentrum "De Dikke Deur" op maandag 24 december 2001 niet of slechts gedeeltelijk aan dit besluit voldoet, het met ingang van die datum een dwangsom verbeurt ten bedrage van ƒ 5000,00 (€ 2268,90) per dag, tot een maximum van ƒ 100.000,00 (€ 45378,02).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2005/385
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406328/1.

Datum uitspraak: 22 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

"B.V. De Dikkedeur Heemraadssingel" en "Bambini B.V.", beide gevestigd te Rotterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juni 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven van Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2001 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven van de gemeente Rotterdam (hierna: het dagelijks bestuur) Kindercentrum "De Dikke Deur" gelast om, indien een aantal in een bijlage bij dit besluit opgesomde gebreken niet zijn opgeheven, vóór vrijdag 12 december 2001 het pand Heemraadssingel 99 te Rotterdam te ontruimen en ontruimd te laten. Voorts heeft het dagelijks bestuur daarbij bepaald dat, indien het Kindercentrum "De Dikke Deur" op maandag 24 december 2001 niet of slechts gedeeltelijk aan dit besluit voldoet, het met ingang van die datum een dwangsom verbeurt ten bedrage van ƒ 5000,00 (€ 2268,90) per dag, tot een maximum van ƒ 100.000,00 (€ 45378,02).

Bij besluit van 25 februari 2003 heeft het dagelijks bestuur, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2001, voor zover gemaakt namens appellante Bambini B.V. (hierna: Bambini), niet-ontvankelijk verklaard, dit bezwaar, voor zover gemaakt namens appellante "B.V. De Dikkedeur Heemraadssingel" (hierna: De Dikkedeur), ongegrond verklaard en het besluit van 4 december 2001 gehandhaafd, onder aanvulling en wijziging van het besluit zoals in het advies van de bezwaarschriftencommissie van 28 maart 2002 aangegeven.

Bij uitspraak van 17 juni 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd voor zover daarbij het bezwaar, voor zover gemaakt namens Bambini niet-ontvankelijk is verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de beslissing op bezwaar, hetgeen inhoudt dat het bezwaar voorzover namens Bambini ongegrond wordt verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 28 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 december 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 oktober 2004 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. A.P.M. Henket, advocaat te Rotterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. L. van Schie-Kooman, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ten tijde van het besluit van 4 december 2001 was een deel van het pand Heemraadssingel 99 (eerste verdieping) in gebruik genomen als kinderdagverblijf. In het resterende deel van dit (meerdere verdiepingen tellende) pand, alsook in het aangrenzende pand Heemraadssingel 101 werden op dat moment nog verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd teneinde het geheel geschikt te maken als kinderdagverblijf. De panden Heemraadssingel 99 en 101 waren voordien in gebruik als kindertehuis.

2.2.    Mede gelet op het besluit van 25 februari 2003, moet het besluit van 4 december 2001 worden gelezen als een aanschrijving om voorzieningen te treffen als bedoeld in artikel 17 van de Woningwet, waarbij tevens met toepassing van artikel 26 van deze wet en artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht een dwangsom is opgelegd. In voormelde bijlage bij dit laatste besluit is aangegeven welke gebreken het dagelijks bestuur heeft geconstateerd. Deze houden verband met de in het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening opgenomen voorschriften betreffende de brandveiligheid. Daarbij is in de meest rechter kolom van de bijlage, onder het kopje "overtreding", ook vermeld artikel 188 van het Bouwbesluit, zoals dat tot 1 januari 2003 gold, zodat moet worden aangenomen dat de aanschrijving ook op strijdigheid met die bepaling betrekking had.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was bestuursdwang toe te passen.

2.4.    De Afdeling overweegt dat het dagelijks bestuur bij het primaire besluit van 4 december 2001 in zijn besluit van 25 februari 2003 terecht heeft getoetst aan het Bouwbesluit, zoals dat gold tot 1 januari 2003. Het feit dat inmiddels met ingang van 1 januari 2003 het Bouwbesluit 2003 in werking was getreden brengt, reeds omdat op die laatste datum de voorzieningen inmiddels waren getroffen en het pand Heemraadssingel 99 al grotendeels weer in gebruik was genomen, niet mee dat het primaire besluit daaraan had moeten worden getoetst.

2.5.    Voorts wordt overwogen dat artikel 17 van de Woningwet voor bestaande niet tot bewoning bestemde gebouwen een aanschrijvingsgrond biedt voor voorzieningen die volgens het Bouwbesluit weliswaar niet voor bestaande gebouwen, maar slechts voor te bouwen gebouwen zijn vereist, mits het treffen van die voorzieningen noodzakelijk is. Gelet op het feit dat het gaat om de brandveiligheid van een gebouw dat in gebruik is genomen als kinderdagverblijf, alwaar zeer jonge kinderen verblijven, heeft het dagelijks bestuur zich in het primaire besluit van 4 december 2001 in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval - wegens het ontstaan van een zeer gevaarlijke situatie voor de aldaar verblijvende kinderen - moest worden voldaan aan de eisen die golden voor nieuwbouw.

2.6.    Verder kan niet worden geoordeeld dat het dagelijks bestuur ten tijde van het primaire besluit bij de invulling van de in het Bouwbesluit, zoals dat gold tot 1 januari 2003, in de brandveiligheidsvoorschriften gestelde functionele eisen, voor zover deze niet waren uitgewerkt in prestatie-eisen, geen aansluiting kon zoeken bij de brochure van de Nederlandse Brandweer Federatie, getiteld ´Een brandveilig gebouw bouwen´. Dat, zoals appellanten stellen, de materiële inhoud van het Bouwbesluit 2003 reeds veel eerder bekend was, vormt op zichzelf beschouwd onvoldoende grond voor een ander oordeel. Daarbij wordt overwogen dat het dagelijks bestuur bij de toepassing van de desbetreffende bepalingen van het Bouwbesluit, zoals dat tot 1 januari 2003 gold, enige beoordelingsvrijheid had.

2.7.    Mede gelet op het verhandelde ter zitting, moet ervan worden uitgegaan dat, bij de hiervoor bedoelde invulling van meerbedoelde brandveiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit, aan deze voorschriften niet werd voldaan. Voorts moet ervan worden uitgegaan dat evenmin werd voldaan aan de verscheidene brandveiligheidsvoorschriften van de gemeentelijke bouwverordening.

2.8.    Gelet hierop moet met de rechtbank worden geoordeeld dat het treffen van de voorzieningen noodzakelijk was. Het dagelijks bestuur was bevoegd tot het doen van de aanschrijving en eveneens tot het opleggen van een dwangsom. Het betreffende betoog faalt derhalve.

2.9.    De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het dagelijks bestuur in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Dat, naar appellanten stellen, in het ten tijde van het primaire besluit nog niet in werking getreden Bouwbesluit 2003 andere eisen waren opgenomen betreffende onder meer de compartimentering van gebouwen, vormt in dit geval onvoldoende grond voor een ander oordeel. Dit geldt ook voor het feit dat het dagelijks bestuur met het oog op de exploitatie van het kinderdagverblijf in de panden Heemraadssingel 99-101 aan Bambini een gebruiksvergunning en subsidies had verleend. Daarbij gaat het immers om andere regelingen met een eigen toetsingskader. Voorts kan, mede gelet op het karakter en de ernst van de door het dagelijks bestuur vastgestelde gebreken en de in verband daarmee ontstane gevaarlijke situatie voor de gebruikers, niet worden geoordeeld dat het appellanten een langere termijn had moeten gunnen voordat zij tot ontruiming van het pand Heemraadssingel 99 dienden over te gaan.

2.10.    Het betoog van appellanten dat de rechtbank ten onrechte hun beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft gehonoreerd slaagt evenmin. De Afdeling neemt daarbij mede in aanmerking dat een deel van de door appellanten in bezwaar genoemde kinderdagverblijven niet in dezelfde deelgemeente zijn gelegen. Over de door appellanten bedoelde Veiligheidscampagne 2003 wordt overwogen dat deze eerst is gestart na de inwerkingtreding van het nieuwe Bouwbesluit 2003. Reeds hierom was hier geen sprake van gevallen, die met die van appellanten gelijk te stellen zijn.

2.11.    Appellanten betogen voorts tevergeefs dat de rechtbank in het feit dat zij niet voorafgaand aan het besluit van 4 december 2001 door het dagelijks bestuur in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen, ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor vernietiging van het besluit van 25 februari 2003. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat tussen appellanten en het dagelijks bestuur voorafgaand aan het besluit van 4 december 2001 meermalen contact is geweest, dat in een eerder besluit van 6 november 2001 al een deel van de geconstateerde gebreken was vermeld, en dat over dit besluit voorafgaand aan het besluit van 4 december 2001 was geprocedeerd bij de voorzieningenrechter. Bovendien moet worden geoordeeld dat een eventueel verzuim genoegzaam is hersteld door het horen in de bezwaarprocedure.

2.12.    Voorts bestaat in hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht onvoldoende grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur zijn besluiten niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. Mede gelet op de herhaalde betrokkenheid van de brandweer, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het advies van de brandweer aan de deelgemeente Delfshaven van 18 oktober 2001, kan niet worden staande gehouden dat het dagelijks bestuur over onvoldoende bouwtechnische gegevens beschikte om tot een gefundeerd oordeel over de noodzaak van de voorzieningen te komen.

2.13.    Tot slot overweegt de Afdeling met betrekking tot de grief van appellanten dat de rechtbank in strijd met artikel 8:58, eerste lid, van de Awb de door hen twaalf dagen voor de behandeling ter zitting aldaar ingediende stukken niet bij haar beoordeling heeft betrokken, dat - wat daarvan ook zij - niet kan worden geoordeeld dat de rechtbank aldus de zaak niet voldoende heeft behandeld. De rechtbank heeft immers ten aanzien van een groot aantal van die stukken een inhoudelijk oordeel gegeven door te overwegen dat haar bovendien de relevantie van die stukken niet is gebleken. De Afdeling onderschrijft dat oordeel. Ook het bij die gelegenheid overgelegde advies van Overveld Bouwbesluit Advies B.V. van 22 januari 2004 kon buiten beschouwing worden gelaten, omdat hierin uitsluitend is getoetst aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003.

2.14.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Boer

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005

201.