Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT8002

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
22-06-2005
Zaaknummer
200410653/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren (hierna: het college) geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van de woonwagen op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410653/1.

Datum uitspraak: 22 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/609 WW44 K1 van de rechtbank Roermond van 26 november 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren (hierna: het college) geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van de woonwagen op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 15 april 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 november 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 29 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 maart 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2005, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. H.M.J. Offermans, advocaat te Roermond, en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Scheepers en mr. N. Schreuders, ambtenaren bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de woonwagen met een extra verdieping waardoor de woonwagen een hoogte van 8,5 meter zou krijgen.

    Niet in geschil is dat deze uitbreiding van de woonwagen in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied-Oost" (hierna: het bestemmingsplan) dat voorziet in een hoogte van 3,5 meter.

2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO). Zij betoogt daartoe dat de omstandigheid dat de woonwagenlocatie aan de Pissumerweg is aangewezen als saneringslocatie, niet aan aanpassing van de woonwagen aan de persoonlijke behoeften van de bewoners in de weg mag staan, waarbij zij stelt, dat van gemeentewege gedurende vele jaren is nagelaten om uitvoering te geven aan de sanering. Voorts betoogt appellante dat het college in vergelijkbare gevallen wél vrijstelling en/of bouwvergunning heeft verleend.

2.3.    Dit betoog faalt. Uit de stukken blijkt dat het college niet bereid is om met toepassing van artikel 19 van de WRO vrijstelling te verlenen voor de uitbreiding van de woonwagen, omdat de woonwagenlocatie aan de Pissumerweg in het Provinciale woonwagenplan 1993-1996 is aangewezen als saneringslocatie. Naar aanleiding hiervan is in artikel 11, lid IV van de planvoorschriften een bevoegdheid toegekend aan het college, die het mogelijk maakt de op het perceel rustende bestemming "Woonwagencentrum (Ww)" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch gebied" en/of "Natuurgebied", zodra het gebruik als woonwagenlocatie aldaar definitief is beëindigd. Het college hanteert als uitgangspunt dat de woonwagenlocatie aan de Pissumerweg via natuurlijk verloop zal worden gesaneerd. Het college acht het niet wenselijk om door middel van het verlenen van een vrijstelling (nieuwe) bebouwingsmogelijkheden van woonwagens toe te staan, zodat de kwaliteit van de omgeving van het buitengebied wordt beschermd en ongewenste precedentwerking wordt voorkomen.

     Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet staande kan worden gehouden dat het college aan het belang van de handhaving van het op sanering van de woonwagenlocatie gerichte beleid, dat zowel ter grondslag heeft gelegen aan het Provinciale woonwagenplan 1993-1996 als aan het geldende bestemmingsplan, niet in redelijkheid een groter gewicht heeft mogen toekennen dan aan het belang van appellante bij extra slaapkamers voor haar kinderen. Daarbij heeft het college verlening van vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO met dat beleid in strijd kunnen achten. De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat er binnen het bestemmingsplan nog mogelijkheden voor uitbreiding van de woonwagen bestaan.

2.3.1.    De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de door appellante genoemde gevallen niet vergelijkbaar zijn. Deze zijn immers deels gelegen in een ander plangebied dat niet is aangewezen als saneringslocatie. De gevallen die wel binnen hetzelfde plangebied liggen zijn niet vergelijkbaar met het onderhavige geval, nu het daarbij niet ging om de bouw van een verdieping op een woonwagen. Het college heeft ter zitting verklaard dat voorzover deze activiteiten illegaal zijn, het college voornemens is ook daartegen handhavend op te treden. Er bestaat onvoldoende grond om zulks niet aannemelijk te achten. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve evenzeer.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Van Roosmalen

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005

53-430.