Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7994

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
22-06-2005
Zaaknummer
200501220/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2004, kenmerk DGWM/2004/20109, heeft verweerder geweigerd aan appellante een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen voor het oprichten en in werking hebben van een asfaltmengcentrale aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 3 januari 2005 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:28
Algemene wet bestuursrecht 3:29
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2005/178
Milieurecht Totaal 2005/4202
JOM 2006/1292
OGR-Updates.nl 1000946
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501220/1.

Datum uitspraak: 22 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2004, kenmerk DGWM/2004/20109, heeft verweerder geweigerd aan appellante een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen voor het oprichten en in werking hebben van een asfaltmengcentrale aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 3 januari 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 8 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 februari 2005, beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door R. van de Berg, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht, vertegenwoordigd door mr. K.P. Prosetiko.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante betoogt dat verweerder in dit geval haar aanvraag van 26 maart 2003 in strijd met de zorgvuldigheid ten onrechte niet heeft aangehouden totdat alsnog geluidruimte ontstaat op zonepunt Z20. Appellante voert in dit verband aan dat volgens het in oktober 2004 vastgestelde plan van aanpak verweerder en het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht druk doende zijn de geluiduitstraling vanwege het industrieterrein Dordt-West/Groote Lind te saneren en dat, wanneer de aanvraag van appellante niet wordt aangehouden, het gevaar bestaat dat andere vergunningaanvragers die eerder op de hoogte zijn van het ontstaan van nieuw te vergunnen geluidruimte, zullen voordringen. Volgens appellante had verweerder de behandeling van de aanvraag daarom, zoals ook door appellante aan verweerder is verzocht, moeten opschorten en periodiek, bijvoorbeeld eens per half jaar, moeten bezien of de akoestische situatie is veranderd of zal veranderen, zodat op enig moment alsnog positief op de aanvraag kan worden beslist.

2.2.    Ingevolge artikel 8.6, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag om een vergunning.

   Ingevolge artikel 3:28, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover van belang, neemt het bestuursorgaan het besluit op de aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

2.3.    Bij uitspraak van 22 september 2004 in zaak no. 200400742/1 heeft de Afdeling het besluit van verweerder van 12 december 2003, kenmerk DGWM/2003/16513, strekkende tot verlening van een oprichtingsvergunning, vernietigd, nu dit besluit zich vanwege overschrijding van de zonegrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde op zonepunt Z20 niet verdroeg met artikel 8.10, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer in hun onderlinge samenhang bezien. Bij het bestreden besluit van 7 december 2004 heeft verweerder opnieuw op de aanvraag van appellante van 26 maart 2003 beslist en de aangevraagde vergunning alsnog geweigerd. Verweerder heeft daarmee binnen de naar analogie van artikel 3:28 van de Algemene wet bestuursrecht geldende beslistermijn van zes maanden op de aanvraag beslist. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder heeft kunnen oordelen dat niet viel te verwachten dat binnen deze beslistermijn geluidruimte op zonepunt Z20 zou ontstaan die de mogelijkheid zou bieden de oprichting van de inrichting van appellante te vergunnen. Nu verweerder derhalve mocht aannemen dat het ontstaan van de benodigde geluidruimte enkel zou kunnen plaatsvinden na afloop van deze beslistermijn en de in dit geval naar analogie van artikel 3:28 van de Algemene wet bestuursrecht geldende beslistermijn van zes maanden zich ertegen verzet dat de beslissing op de aanvraag tot na die termijn wordt aangehouden, heeft verweerder zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vergunning diende te worden geweigerd.

   Voorzover appellant ter zitting nog heeft betoogd dat verweerder de termijn voor het nemen van een beslissing krachtens artikel 3:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht had moeten verlengen, overweegt de Afdeling dat toepassing van dit artikel reeds niet aan de orde kan zijn, omdat daarvoor is vereist dat de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft, hetgeen hier niet het geval is. Ook overigens noopt de Algemene wet bestuursrecht niet tot het oordeel dat verweerder in dit geval de beslistermijn had moeten verlengen.

2.4.    Voorzover appellante ter zitting heeft betoogd dat verweerder eerst een nieuw ontwerp had moeten publiceren alvorens de vergunning, anders dan bij het ontwerp van het besluit, te weigeren, overweegt de Afdeling dat het systeem van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat het bevoegd gezag, na in het ontwerpbesluit het voornemen te hebben aangekondigd de aangevraagde vergunning te verlenen, die vergunning vervolgens alsnog weigert.

2.5.    Het beroep is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Van der Zijpp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005

288.