Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7985

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2005
Datum publicatie
22-06-2005
Zaaknummer
200502051/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Appingedam (hierna: het college) aan de Stichting de Zijlen (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor de bouw van 48 zorgappartementen en een dienstencentrum op het perceel kadastraal bekend gemeente Appingedam, sectie C,

nos. 00732, 01042 en 01034, plaatselijk bekend Solwerderweg 3.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502051/2.

Datum uitspraak: 17 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van onder meer:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. Awb 04/1283 en 04/1284 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 27 januari 2005 in het geding tussen:

verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Appingedam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Appingedam (hierna: het college) aan de Stichting de Zijlen (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor de bouw van 48 zorgappartementen en een dienstencentrum op het perceel kadastraal bekend gemeente Appingedam, sectie C,

nos. 00732, 01042 en 01034, plaatselijk bekend Solwerderweg 3.

Bij besluit van 5 november 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 januari 2005, verzonden op diezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het besluit van het college van 19 juli 2004 geschorst tot en met zes weken na de datum van de bekendmaking van de opnieuw te nemen beslissing op bezwaar.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 8 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2005, en het college bij brief van 8 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2005, hoger beroep ingesteld. Verzoekers hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 5 april 2005. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 4 april 2005.

Bij besluit van 19 april 2005 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 juli 2004 wederom ongegrond verklaard.

Bij brief van 24 mei 2005, ingekomen bij de Raad van State op 25 mei 2005, hebben verzoekers daartegen beroep ingesteld en verzocht

artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) toe te passen.

Bij brief van 24 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2005, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht ten aanzien van het besluit van 19 april 2005 een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 juni 2005, waar verzoeker [gemachtigde] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.R.M. Holtz-Russel, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. G. Folmer, advocaat te Drachten, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend.

2.2.    In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht, wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de vrijstelling en de bouwvergunning uiteindelijk niet in stand zullen blijven. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het thans voorliggende bouwplan geen vergroting inhoudt van het te bebouwen oppervlak en bouwvolume dat reeds op grond van het vigerende bestemmingsplan, met inbegrip van de binnenplanse vrijstelling, mogelijk is.

Voorts kan de met de vrijstelling beoogde functiewijziging niet worden aangemerkt als een grote planologische inbreuk.

Tenslotte wordt in aanmerking genomen dat de ruimtelijke onderbouwing voorwerp is geweest van de inspraak als bedoeld in artikel 6a van de WRO, alsook de instemming heeft van de gemeenteraad en van het in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 bedoelde overleg.  

2.3.    Gelet hierop en de betrokken belangen, waaronder het algemeen belang dat is gemoeid met de huisvestiging van oudere verstandelijk gehandicapten en het belang van de vergunninghoudster om korte termijn een aanvang te maken met de bouw van deze voorziening, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-Van Bilderbeek    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2005

328.