Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7972

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
22-06-2005
Zaaknummer
200409501/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2003 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) als uitslag van het eerste en tweede onderzoek vastgesteld dat appellant niet voldoet aan de eisen van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van alle categorieën en het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 130
Wegenverkeerswet 1994 131
Wegenverkeerswet 1994 134
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409501/1.

Datum uitspraak: 22 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. WET 04/1555-NAV van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 oktober 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2003 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) als uitslag van het eerste en tweede onderzoek vastgesteld dat appellant niet voldoet aan de eisen van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van alle categorieën en het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Bij besluit van 13 april 2004 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2004, verzonden op 14 oktober 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 december 2004 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR), sedert 15 mei 2004 het terzake bevoegde bestuursorgaan, van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M. van Leeuwen Boomkamp-Goekoop, juridisch adviseur van de Koninklijke Roeiers Vereeniging Eendracht, en het CBR, vertegenwoordigd door J.A. Stelt-Launspach, juridisch medewerkster bij de divisie Vorderingen van het CBR en W. van Os, arts bij de divisie Vorderingen van het CBR, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 5 oktober 2002 is bij appellant een ademalcoholgehalte van 1325 µg/l (=3,048‰) geconstateerd. Naar aanleiding daarvan heeft de Minister bij besluit van 5 november 2002 een onderzoek naar de rijvaardigheid van appellant gevorderd. Dit onderzoek is op 3 december 2002 verricht door de psychiater B.A. von Bargen. In haar rapport van 27 december 2002 heeft Von Bargen aan de hand van een classificatiesysteem van psychiatrische afwijkingen, de zogenoemde DSM-IV-criteria, in combinatie met een laboratoriumonderzoek, geconstateerd dat sprake is van misbruik van alcohol. Deze conclusie heeft Von Bargen gebaseerd op het feit dat bij appellant een aantal jaren geleden een levercirrose is geconstateerd en hij, hoewel hij toen te horen heeft gekregen dat hij geen alcohol meer mocht drinken, het alcoholgebruik heeft gecontinueerd. Ook duidt het hoge ademalcoholgehalte dat bij appellant is geconstateerd op tolerantie voor alcohol. Voorts heeft Von Bargen haar diagnose alcoholmisbruik gebaseerd op de uitslag van de zogenaamde CAGE-test, waarbij appellant drie van de vier vragen positief heeft beantwoord.

Op verzoek van appellant heeft op 17 oktober 2003 een tweede onderzoek plaatsgevonden, verricht door dr. J.W. Hartman, zenuwarts. Hartman heeft de conclusie in het eerste onderzoek dat sprake is van misbruik van alcohol onderschreven. Voorts acht Hartman het, gezien het feit dat het laboratorium onderzoek nog licht afwijkend is, niet aantoonbaar dat appellant met het misbruik is gestopt.

2.2.    Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de Minister zijn oordeel niet heeft mogen baseren op de resultaten van de medische onderzoeken, verricht door Von Bargen en Hartman. Appellant is van mening dat de onderzoeken onvolledig en onvoldoende gemotiveerd zijn. Voorts zijn de afgenomen bloedtesten onbetrouwbaar, in het bijzonder de %CDT (carbohydraat-deficiënt transferrine) test. Appellant stelt zich op het standpunt dat het in het tweede onderzoek geconstateerde (te) hoge CDT-percentage zijn oorzaak moet vinden in zijn medische situatie en niet in het gestelde alcoholmisbruik.

Ter onderbouwing van zijn betoog heeft appellant een brief van 19 augustus 2004 van de door hem geconsulteerde maag-, darm- en leverarts Prof. dr. S.W. Schalm overgelegd. Voorts heeft hij gewezen op een artikel van mr. L.P. Kabel, mr. drs. W. Zwiers en drs. G.J. Meerkerk in het Nederlands Juristenblad (hierna: NJB), aflevering 34, van 24 september 2004, p. 1793 ev., waarin wordt geconcludeerd dat de CDT-bepaling slechts een vermoeden van alcoholmisbruik kan opleveren en zeker niet als enige argument mag worden gebruikt om te concluderen tot alcoholmisbruik. In aansluiting hierop heeft appellant gesteld dat hij niet of nauwelijks alcohol gebruikt.

2.3.    Blijkens zijn rapport van 19 augustus 2004 heeft prof. dr. S.W. Schalm appellant aan een lichamelijk, een etiologisch en een echografisch onderzoek onderworpen en voorts laboratoriumonderzoek gedaan. Op basis daarvan concludeert Schalm dat hij geen tekenen heeft waargenomen van overmatig drankgebruik. De minimaal gestoorde levertesten zijn niet typisch voor persisterend overmatig drankgebruik en zijn toe te schrijven aan het bestaan van een cirrose, aldus Schalm.

In aansluiting op haar uitspraak van 5 oktober 1999, no. H01.99.0387 (AB 1999, 452) overweegt de Afdeling als volgt.

De omstandigheid dat een tweede onderzoek heeft plaatsgevonden, betekent niet dat daarmee de resultaten en conclusies van het eerste onderzoek zijn komen te vervallen. Dit zou anders zijn indien uit het onderzoek van Hartman zou zijn gebleken dat het eerste onderzoek onzorgvuldig was uitgevoerd of dat Von Bargen op grond van de resultaten van het door haar verrichte onderzoek niet tot de door haar getrokken conclusie heeft kunnen komen. Hartman heeft evenwel geconstateerd dat het door Von Bargen ingestelde onderzoek haar conclusies wettigt. Daarvan uitgaande mocht de Minister het bestreden besluit baseren op de bevindingen van beide onderzoekers.

De brief van Schalm kan daaraan niet afdoen. Naar ter zitting van de Afdeling is bevestigd, heeft Schalm niet kennisgenomen van de rapporten van de door de Minister geraadpleegde deskundigen en was zijn onderzoek niet gericht op het aanvechten van de zorgvuldigheid en de inhoudelijke kwaliteit van hun in december 2002 en oktober 2003 verrichte onderzoek, noch op het weerleggen van de daaruit getrokken conclusies. De door Hartman onderschreven bevindingen van Von Bargen waren bovendien overwegend niet gebaseerd op het fysiek onderzoek en laboratoriumtests die in het betoog van Schalm centraal staan.

   Voorzover appellant betoogt dat de geringe verhoging in de CDT veroorzaakt is door een medisch probleem en niet door alcoholmisbruik, kan dit betoog - wat hier ook van zij - hem niet baten. De te hoge CDT-waarde is alleen waargenomen in het tweede onderzoek. Bij het eerste onderzoek was deze waarde niet verhoogd en speelde derhalve geen rol bij de conclusie dat sprake is van alcoholmisbruik. Gelet hierop leidt het door appellant aangehaalde artikel uit het NJB evenmin tot een ander oordeel over de grondslag van het bestreden besluit.

2.3.1.    Gezien het feit dat uit zowel het onderzoek van Von Bargen als het onderzoek van Hartman blijkt dat appellant voldoet aan de DSM-IV criteria, kan niet worden geoordeeld dat de Minister zich in dit geval niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een situatie als bedoeld in punt 8.8 van de bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 behorende bijlage. Hieraan doet niet af dat de resultaten van het onderzoek van Schalm er op wijzen dat appellant na het tweede onderzoek het gebruik van alcohol heeft beperkt. De voorzieningenrechter is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.3.2.    Gelet op het vorenstaande heeft de Minister het rijbewijs van appellant terecht ongeldig verklaard.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Egmond, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Egmond

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005

426.