Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7961

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
22-06-2005
Zaaknummer
200504621/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij brief van 14 februari 2005 heeft verzoekster verweerder verzocht een besluit te nemen inhoudende een bestuurlijk rechtsoordeel dat het door haar ingediende saneringsplan van 6 september 1999, aangevuld met een rapport van oktober 2001, inzake het perceel [locatie] te [plaats], wordt aangemerkt als een maatregel die redelijkerwijs van haar kan worden gevergd, als bedoeld in artikel 13 van de Wet bodembescherming, teneinde de bodem van het perceel te saneren.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 13
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2006/16 met annotatie van J.H.G. van den Broek
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/4230 met annotatie van Redactie
JOM 2007/210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504621/1.

Datum uitspraak: 15 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij brief van 14 februari 2005 heeft verzoekster verweerder verzocht een besluit te nemen inhoudende een bestuurlijk rechtsoordeel dat het door haar ingediende saneringsplan van 6 september 1999, aangevuld met een rapport van oktober 2001, inzake het perceel [locatie] te [plaats], wordt aangemerkt als een maatregel die redelijkerwijs van haar kan worden gevergd, als bedoeld in artikel 13 van de Wet bodembescherming, teneinde de bodem van het perceel te saneren.

Bij brief van 19 mei 2005 heeft verweerder verzoekster te kennen gegeven dat het saneringsplan van 6 september 1999 niet voldoet, dat binnen een maand nadien een aangepast plan moet worden ingediend en dat de sanering binnen vier maanden na goedkeuring daarvan moet worden uitgevoerd. Verweerder heeft daarbij aangegeven welke zaken het plan van aanpak voor de sanering in ieder geval dient te bevatten.

Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 26 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 juni 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. J.H.P. Hardy, gemachtigde, [directeur] en ing. J.P.T. Lemlijn, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C. Scheepers en R. Peelen, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Verzoekster verzoekt de Voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening hetgeen in de brief van verweerder van 19 mei 2005 aan haar is opgedragen te schorsen, totdat onherroepelijk op bezwaar en eventueel beroep zal zijn beslist.

2.2.    Ingevolge artikel 13 van de Wet bodembescherming is een ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

2.3.    Bij brief van 12 februari 2001, bij het college van gedeputeerde staten van Limburg ingekomen op 13 februari 2001, heeft verzoekster gemeld het voornemen te hebben de verontreinigde bodem op het perceel [locatie] te [plaats] te saneren.

   Bij brief van 10 april 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg verzoekster en verweerder medegedeeld dat, omdat het een verontreiniging van na 1987 betreft, deze zaak onder het zorgplichtbeginsel van artikel 13 van de Wet bodembescherming valt en dat verweerder het bevoegd gezag is.    

2.4.    Ofschoon de huidige procedure zich niet leent voor een oordeel terzake, overweegt de Voorzitter dat er reden is voor twijfel of in deze zaak niet een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bodembescherming dient te worden genomen op de bij het college van gedeputeerde staten van Limburg ingekomen melding van verzoekster van 12 februari 2001; te meer daar het ervoor moet worden gehouden dat niet onverwijld moet worden gesaneerd. Dat de bodemverontreiniging na 1987 zou zijn ontstaan, sluit de toepasselijkheid van de artikelen 28, 29 en 39 van de Wet bodembescherming niet uit.

2.5.    Volgens verzoekster moet de brief van verweerder van 19 mei 2005 worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, zodat het daartegen gerichte bezwaar ontvankelijk is.

2.5.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief van 19 mei 2005 niet op enig rechtsgevolg is gericht, aangezien de rechtsgevolgen rechtstreeks uit de wet voortvloeien en kenbaar zijn.

2.5.2.    De Voorzitter stelt voorop dat eerst bij de behandeling van een bodemprocedure een definitief oordeel kan worden gegeven of het vaststellen of een op grond van artikel 13 van de Wet bodembescherming voorgenomen maatregel voldoet aan de uitgangspunten van deze wet, in dit geval al dan niet een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.3.    De Voorzitter overweegt dat verzoekster ingevolge artikel 13 van de Wet bodembescherming ter zake van de bodemverontreiniging verplicht is maatregelen te nemen, zoals bepaald in dit artikel. Verweerder is ingevolge artikel 95, derde lid, van deze wet belast met de bestuursrechtelijke handhaving van artikel 13.

   De brief van verweerder van 19 mei 2005 bevat, naar het oordeel van de Voorzitter, een bestuurlijk rechtsoordeel over de gelding en betekenis in concreto van artikel 13 van de Wet bodembescherming inzake het door verzoekster ingediende saneringsplan. Verweerder kan terzake voorwaarden stellen en heeft dat in dit geval ook gedaan. Dit is van substantiële betekenis voor de zekerheid omtrent de rechtspositie van verzoekster en is gelet hierop aan te merken als gericht op rechtsgevolg. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de aard van de activiteiten bij eventuele handhaving door verweerder of een beroep door derden terzake, als een voor verzoekster onevenredig bezwarende weg naar de rechter moet worden aangemerkt. De Voorzitter is dan ook van oordeel dat de brief moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6.    Uit de stukken komt naar voren en ter zitting is bevestigd dat verweerder niet heeft aangezegd bestuurlijke handhavingsmiddelen aan te wenden, indien niet binnen een maand na dagtekening een aangepast saneringsplan is ingediend en binnen vier maanden na goedkeuring daarvan de sanering niet is uitgevoerd. Verweerder heeft ter zitting toegezegd niet eerder handhavend op te treden dan wanneer onherroepelijk is beslist. Gelet hierop is met het verzoek geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van de verzochte voorziening rechtvaardigt.

2.7.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch-Ballin    w.g. Sparreboom

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2005

195-424.