Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7954

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
22-06-2005
Zaaknummer
200407542/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) geweigerd appellante een urgentieverklaring te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2005, 131 met annotatie van M.C. de Voogd
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407542/1.

Datum uitspraak: 22 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) geweigerd appellante een urgentieverklaring te verstrekken.

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft de Algemene Bezwaarschriftencommissie namens het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juli 2004, verzonden op 28 juli 2004, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 7 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 januari 2005, heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2005, waar appellante in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Kuipers, ambtenaar bij de gemeente Rotterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder het maken van bezwaar verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

   Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

   Ingevolge het tweede lid van dat artikel herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

   Ingevolge artikel 10:3, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet.

2.2.    Ambtshalve beziet de Afdeling of het besluit van 24 juni 2003 bevoegdelijk is genomen door de Algemene Bezwaarschriftencommissie namens het college. De vraag die thans voorligt is of de aard van de heroverwegingsbevoegdheid zoals deze blijkt uit artikel 7:11 van de Awb, toelaat dat een bestuursorgaan de bevoegdheid om te beslissen op bezwaren, ingebracht tegen besluiten die door of bevoegdelijk namens dat orgaan zijn genomen, mandateert aan een persoon of college buiten de invloedsfeer van het bestuursorgaan, óf dat de aard van de heroverwegingsbevoegdheid zich daartegen verzet.

   De heroverweging, bedoeld in artikel 7:11 van de Awb, vergt dat de beslissing op bezwaar binnen de directe invloedssfeer van het bestuursorgaan behoort te worden genomen. De functies van de bezwaarprocedure brengen met zich dat mandaat van de bevoegdheid om op bezwaar te beslissen niet mag worden verleend aan een niet-ondergeschikte. Het vorenstaande betekent dat mandaat van de beslissing op bezwaar aan de Algemene Bezwaarschriftencommissie niet is toegestaan. De rechtbank heeft dit miskend.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 24 juni 2003 vernietigen. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Bij de nieuwe beslissing op bezwaar die door, of bevoegdelijk namens, burgemeester en wethouders moet worden genomen, kan tevens worden betrokken dat in het besluit van 24 juni 2003 ten onrechte de Huisvestingsverordening 2003 was toegepast, terwijl aan het bestaan van een politieverklaring omtrent overlast in de vorm van geweld of ernstige bedreiging in de Huisvestingsverordening 1999 niet die dwingende betekenis is toegekend die daaraan in de Huisvestingsverordening 2003 is gegeven.

2.4.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2004, HUISV 03/2194-LAME;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het door de Algemene Bezwaarschriftencommissie namens het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam genomen besluit van 24 juni 2003, A.B.200341129;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Rotterdam aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Rotterdam aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 317,00 (zegge: driehonderdzeventien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Matulewicz

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005

45-440.