Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7478

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
15-06-2005
Zaaknummer
200409806/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede (hierna: het college) onder verlening van een vrijstelling bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het oprichten van een bedrijfsloods en een machineberging op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend [plaats], sectie/nr(s) […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409806/1.

Datum uitspraak: 15 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/0588 van de rechtbank Utrecht van 21 oktober 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede (hierna: het college) onder verlening van een vrijstelling bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het oprichten van een bedrijfsloods en een machineberging op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend [plaats], sectie/nr(s) […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 19 januari 2004 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften van 11 november 2003, het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering daarvan.

Bij uitspraak van 21 oktober 2004, verzonden op 22 oktober 2004, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 maart 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door W. Eppinga, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.H.J. Gardebroek, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder] verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatste geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde", nader aangeduid "Bedrijven". Het perceel is gelegen in het op de plankaart aangegeven stiltegebied.

   Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften, voorzover thans van belang, zijn de op de plankaart nader voor bedrijven aangewezen gronden bestemd voor bedrijven met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, open terreinen, verhardingen, parkeergelegenheid, groenvoorzieningen, alsmede één dienstwoning per bedrijf.

   Ingevolge artikel 16, tweede lid, sub a, mogen op of in de in lid 1 bedoelde gronden uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd, onder de voorwaarde dat de oppervlakte van de bestaande bedrijfsbebouwing per bedrijf met niet meer dan 20% mag worden vergroot voorzover deze niet zijn gelegen binnen het op de plankaart aangegeven stiltegebied.

   Ingevolge artikel 16, vierde lid, voorzover hier van belang, kan het college vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 2 sub a, voor een uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing, voorzover gelegen binnen het op de plankaart aangegeven stiltegebied, met maximaal 20%, indien daardoor de geluidskwaliteit van het stiltegebied niet in onevenredige mate wordt of kan worden aangetast.

2.2.    Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet voldaan is aan de ontvankelijkheidsvereisten ten aanzien van de betrokken bouwaanvraag zoals neergelegd in de Bouwverordening, omdat in de procedure waarin een bouwstop is opgelegd vanwege bouwen in afwijking van de bouwvergunning is gebleken dat de bij de aanvraag overgelegde bouwtekening een onjuist beeld geeft van de kadastrale grenzen.

2.3.1.    Dit betoog kan niet tot het daarmee beoogde resultaat leiden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen ziet dit betoog niet zo zeer op het aan de orde zijnde vergunde bouwplan als wel op het bouwen in afwijking van de bouwvergunning.

    Voorts is er geen grond voor het oordeel dat het college de aanvraag van [vergunninghouder] niet in behandeling kon nemen, nu de aanvraag voldeed aan de daartoe gestelde eisen, aangezien er op dat moment geen aanknopingspunten bestonden om aan te nemen dat de bij de aanvraag overgelegde bouwtekening onjuist was.

2.4.    Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 16, vierde lid, van de planvoorschriften, onverbindend moet worden geacht, nu het in dit lid toegestane uitbreidingspercentage van 20% te hoog is, faalt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen dient te worden beoordeeld of sprake is van een voldoende objectieve begrenzing van de vrijstellingsmogelijkheid. Zij is terecht tot de conclusie gekomen dat daarvan in dit geval sprake is.

    Anders dan appellant is de Afdeling van oordeel dat het vereiste dat de geluidskwaliteit van het stiltegebied niet in onevenredige mate wordt of kan worden aangetast via de in de toelichting op het plan neergelegde criteria voldoende is geobjectiveerd. De regeling overschrijdt het toepassingsbereik van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO dan ook niet.

2.5.    Het betoog van appellant dat sprake is van een onjuiste belangenafweging faalt. Door appellant is niet bestreden dat door de nieuwe situering van de uitweg en het aanbrengen van isolatie sprake is van een geluidstechnische verbetering ten opzichte van de oude situatie. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de vrijstelling als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de planvoorschriften, heeft kunnen verlenen.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2005

66-444.