Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7476

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
15-06-2005
Zaaknummer
200408812/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2002 heeft appellant het verzoek van [verzoeker] om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408812/1.

Datum uitspraak: 15 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Heerenveen,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. 03/1179 WET van de rechtbank Leeuwarden van 17 september 2004 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2002 heeft appellant het verzoek van [verzoeker] om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) afgewezen.

Bij besluit van 1 september 2003 heeft appellant het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar, overeenkomstig het advies van de Commissie bezwaarschriften van 19 mei 2003, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 2004, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, voorzover daarbij de afwijzing van het verzoek om vergoeding van geleden schade ten gevolge van de (her-)bouw van de woningen aan de [locaties] is gehandhaafd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 29 oktober 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 november 2004. Deze laatste brief is aangehecht.

Bij brief van 24 januari 2005 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. G.H.D. van der Veer, ambtenaar bij de gemeente, en [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. E. Wiarda, advocaat te Oranjewoud, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 49 van de WRO, voorzover hier van belang, kent de gemeenteraad, voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

   Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden.

2.2.    In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1980" was het gebied van de Heidelaan aangemerkt als agrarisch gebied. In het nieuwe bestemmingsplan "Oranjewoud-Noord", dat in december 1998 onherroepelijk is geworden, is in de strook tussen [locatie 1] en [locatie 2] een bouwrecht opgenomen voor twee extra woningen, terwijl voor een derde woning de bouwmogelijkheid in de richting van het pand van [verzoeker] is verschoven.

   Vaststaat dat voor [verzoeker], sedert 4 september 1995 eigenaar van het perceel [locatie 1] te [plaats], een planologisch nadeliger situatie is ontstaan als gevolg van het bestemmingsplan "Oranjewoud-Noord".

   In geschil is de vraag of dit ten tijde van de eigendomsverkrijging voorzienbaar was, zodat de daaruit voortvloeiende schade te zijn laste moet blijven.

2.3.    Het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat appellant ten onrechte heeft aangenomen dat de (her)bouw van de woningen aan de [locaties] ten tijde van de koop door [verzoeker] van zijn perceel voorzienbaar was. Appellant heeft hiertoe aangevoerd dat een redelijk denkend en handelend koper rekening had moeten houden met incidentele nieuwbouw omdat uit de Dorpennota, die ten tijde van het verwerven van de woning door [verzoeker] reeds was vastgesteld, voortvloeide dat de strook langs de Heidelaan geen onderdeel meer zou uitmaken van het buitengebied en in het vervolg als bestaand dorpsgebied van Oranjewoud zou worden gezien en bovendien in de Dorpennota expliciet was opgenomen dat er in het bestaand dorpsgebied op incidentele basis nieuwbouw kon plaatsvinden.

2.4.    Dit betoog slaagt. Op kaart 19, behorende bij de Dorpennota, zijnde een Structuurplan in de zin van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, welke nota is vastgesteld op 30 augustus 1993 en waarin het gewenste ruimtelijk beleid voor de komende 10 tot 15 jaar is beschreven voor de dorpen in de gemeente Heerenveen, waaronder Oranjewoud, is de gehele Heidelaan als een doorlopende oranje strook aangeduid. Daarmee valt de Heidelaan in dezelfde categorie "bestaand wonen" als de rest van de op deze kaart eveneens in oranje aangeduide dorpskern Oranjewoud en maakt aldus derhalve deel uit van de bestaande dorpsbebouwing. Hieruit blijkt dat er in de Dorpennota van wordt uitgegaan dat de Heidelaan niet langer het karakter heeft van agrarisch gebied, waartoe het in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1980" nog was bestemd. Nu voorts in de Dorpennota is vermeld dat het karakter van Oranjewoud incidenteel woningbouw toelaat kon hieruit, gelet op de aanduiding op kaart 19, worden afgeleid dat het gewenste ruimtelijk beleid er ten tijde van de eigendomsverkrijging reeds in voorzag dat ook in het gebied van de Heidelaan in de toekomst incidenteel woningbouw zou kunnen plaatsvinden. Gelet hierop is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat voor [verzoeker] ten tijde van de eigendomsverkrijging van zijn perceel in 1995 voorzienbaar was dat een voor hem nadeliger planologische situatie zou ontstaan.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het bij de rechtbank ingestelde beroep dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 17 september 2004, 03/1179 WET;

III.    verklaart het door H. [verzoeker] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Glerum

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2005

71-420.