Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7469

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
15-06-2005
Zaaknummer
200402045/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) bouwvergunning geweigerd voor het oprichten van bedrijfshallen en kantoren op het perceel dat bekend staat als het Groenenbergterrein te Schiphol-Rijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Vastgoed en wonen 2005/884
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402045/1.

Datum uitspraak: 15 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Chipshol III B.V.", gevestigd te Schiphol-Rijk,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 januari 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) bouwvergunning geweigerd voor het oprichten van bedrijfshallen en kantoren op het perceel dat bekend staat als het Groenenbergterrein te Schiphol-Rijk.

Bij besluit van 21 mei 2003 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 januari 2004, verzonden op 3 februari 2004, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 5 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 8 maart 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 mei 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 22 september 2004 zijn nadere stukken ingekomen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegestuurd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. drs. H.J.M. van Schie, advocaat te Amsterdam, en drs. P.J. Poot, gemachtigde. Namens het college zijn mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, mr. A. Hoogeveen en mr. M.P. van der Plaats, beiden ambtenaren van de gemeente, verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante heeft op 12 september 2002 bouwvergunning gevraagd voor het bouwen van bedrijfshallen en kantoren met een totale oppervlakte van ongeveer 50.000 m2 op het zogeheten Groenenbergterrein te Schiphol-Rijk, welk terrein zich bevindt in de directe nabijheid van de start- en landingsbaan de "Aalsmeerbaan".

   Bij besluit van 20 november 2002 heeft het college wegens strijdigheid met het bestemmingsplan "Schiphol-Zuidoost" afwijzend beslist op de ingediende bouwaanvraag, waarna het college bij het bestreden besluit het bezwaar daartegen ongegrond heeft verklaard.

2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet heeft ingestemd met splitsing en wijziging van het op 12 september 2002 ingediende bouwplan en dat het college ten onrechte bouwvergunning heeft geweigerd. Zij brengt in dit verband naar voren dat het college onzorgvuldig jegens haar heeft gehandeld door haar niet tijdig te informeren over een geconstateerde maatfout op de situatietekening en haar niet in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen.

2.3.    Vooropgesteld wordt dat de Afdeling, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 13 april 1995, no. H01.94.0076, gepubliceerd in BR 1995, blz. 669, heeft geoordeeld dat een college van burgemeester en wethouders gerechtigd is, en in bepaalde gevallen zelfs verplicht, om de indiener van een bouwaanvraag in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag zodanig te wijzigen of aan te vullen dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van de bouwvergunning worden weggenomen. Indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag echter zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, dient daarvoor een nieuwe bouwaanvraag te worden gedaan.

2.3.1.    Na indiening van de aanvraag om bouwvergunning op 12 september 2002 heeft appellante het college bij brief van 1 november 2002 onder meer verzocht de aanvraag te splitsen, in die zin dat het deel van de aanvraag dat betrekking heeft op de bedrijfspaviljoens zou worden losgekoppeld van het deel dat ziet op de bedrijfshallen. Vervolgens heeft appellante tijdens een bespreking op 12 november 2002 tussen haar en het college een nieuwe (situatie)tekening overgelegd die de oorspronkelijk ingediende situatietekening zou moeten vervangen. Hierbij is voorzien in een verschuiving van de kantoren met 13 meter in noordoostelijke richting, het laten vervallen van een strook bebouwing met een breedte van 62 meter en het vervallen/verkleinen van waterpartijen.

2.3.2.    De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college de door appellante op 12 september 2002 ingediende bouwaanvraag terecht als één geheel heeft beoordeeld. Gelet op de onderlinge samenhang tussen de onderdelen van het bouwplan kan de rechtbank worden gevolgd in haar redenering dat het bouwplan niet kon worden gesplitst op de door appellante voorgestane wijze. Gezien de wijzigingen in het bouwplan, zoals weergegeven op de situatietekening die door appellante op 12 november 2002 is overgelegd, is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat dit gewijzigde bouwplan geen betrekking heeft op wijzigingen van ondergeschikte aard, zodat niet meer kon worden gesproken van hetzelfde bouwplan. De rechtbank heeft hierbij terecht ook belang gehecht aan de omstandigheid dat is voorzien in een verschuiving van kantoorgebouwen over een afstand van 13 meter. Niet valt in te zien, zoals appellante betoogt, dat de rechtbank hierbij buiten de omvang van het geding is getreden.

   De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het doen van een foutieve aanvraag voor rekening en risico van appellante komt, zodat haar betoog dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door haar niet tijdig te berichten over de maatfout op de oorspronkelijke bouwtekening niet slaagt. Het betoog dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden doordat het in de procedures over bouwvergunningen voor respectievelijk een derde verkeerstoren bij de Polderbaan en een café/restaurant in Vijfhuizen veel ruimhartiger is geweest bij het accepteren van nieuwe tekeningen na indiening van de oorspronkelijke bouwaanvragen, slaagt reeds niet om de reden dat het hier niet gaat om gevallen die naar aard en omvang met het onderhavige geval vergelijkbaar zijn.  

   Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft het college voorts, anders dan appellante betoogt, toereikend gemotiveerd waarom het is afgeweken van het advies van de vaste commissie voor de bezwaar- en beroepschriften en heeft besloten in plaats daarvan het - contraire - advies van de Dienst Openbare werken van de gemeente Haarlemmermeer te volgen. Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan haar argument dat het college mogelijk misbruik heeft gemaakt van recht en vooringenomen was bij het nemen van zijn beslissing, slaagt evenmin. Nog los van het gegeven dat de stukken hiervoor onvoldoende aanknopingspunten bieden, valt niet in te zien dat een en ander van belang zou kunnen zijn voor de vraag of het college terecht heeft beslist op de oorspronkelijk ingediende aanvraag om bouwvergunning.

2.4.    Appellante betoogt voorts dat het college de bouwhoogte onjuist heeft bepaald.

2.4.1.    De rechtbank heeft geconstateerd dat vier van de in het bouwplan vervatte kantoorgebouwen gedeeltelijk zijn gelegen op gronden met de bestemming "agrarische doeleinden" en op grond hiervan geconcludeerd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Over het aspect van de bouwhoogte heeft de rechtbank geen uitspraak gedaan en behoefde dat vanwege de hiervoor aangeduide weigeringsgrond ook niet. Deze grond behoeft daarom in hoger beroep geen verdere bespreking.

2.5.    Voor zover appellante ten slotte betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het college vrijstelling had moeten verlenen met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht geen grond heeft gezien voor het oordeel dat het college, vanwege het op 20 februari 2003 in werking getreden Luchthavenindelingsbesluit, de gevraagde vrijstelling niet mocht weigeren.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van der Vlis, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van der Vlis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2005

218.