Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7465

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
15-06-2005
Zaaknummer
200409624/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan "Jordaan 1999" op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van de begane grond en entresolverdieping van de gebouwen Oude Looierstraat 37/51 en Looiersgracht 32/38 en het samenvoegen met gebouwgedeelte Oude Looiersgracht 25, 29, 31, gebouw Oude Looiersstraat 35/33 en gebouwgedeelte Looiersgracht 26, 28, 30 met bestemming daarvan tot een fitnessclub.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409624/1.

Datum uitspraak: 15 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap "Splash Healthclub Amsterdam BV", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/3457 van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan "Jordaan 1999" op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van de begane grond en entresolverdieping van de gebouwen Oude Looierstraat 37/51 en Looiersgracht 32/38 en het samenvoegen met gebouwgedeelte Oude Looiersgracht 25, 29, 31, gebouw Oude Looiersstraat 35/33 en gebouwgedeelte Looiersgracht 26, 28, 30 met bestemming daarvan tot een fitnessclub.

Bij besluit van 17 juni 2003 heeft het dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 oktober 2004, verzonden op 20 oktober 2004, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 29 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 december 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 januari 2005 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Bij brief van 10 januari 2005 hebben [partij 1] zich als partij in het geding gemeld. Bij brief van 11 januari 2005 hebben [partij 2] zich als partij in het geding gemeld. Bij brief van 11 januari 2005 heeft [partij 3] zich als partij in het geding laten melden. Bij brief van 26 april 2005 heeft [partij 4] zich als partij in het geding gemeld. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H. Doornhof, advocaat te Amsterdam, en [directeur], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. G.A. van der Burg, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn verschenen [partijen]

2.    Overwegingen

2.1.    Niet in geding is dat de bouwaanvraag in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Jordaan 1999" en de "Eerste herziening bestemmingplan Jordaan 1999" vanwege overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte en van het maximaal toegestane bouwoppervlak, zodat de gevraagde bouwvergunning alleen kan worden verleend met een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO.

2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank in de bestreden uitspraak ten onrechte voorbijgegaan is aan het feit dat het dagelijks bestuur een aantal belangen niet heeft meegewogen bij de beslissing op bezwaar. Ten eerste had volgens appellante het dagelijks bestuur in de belangenafweging het gerechtvaardigd vertrouwen van appellante dat zij een bouwvergunning zou krijgen mee moeten nemen. Het dagelijks bestuur heeft volgens appellante geconcludeerd dat het gerechtvaardigd vertrouwen bij voorbaat niet kon leiden tot het verlenen van de bouwvergunning, omdat het ten onrechte meende dat een ruimtelijke onderbouwing voor de vrijstelling ontbrak. Ten tweede betoogt appellante dat het dagelijks bestuur het gemeentelijk sportbeleid had moeten meewegen bij de beslissing op bezwaar. Voorts heeft het dagelijks bestuur volgens appellante niet de inhoud van de ingediende zienswijzen, maar uitsluitend het aantal daarvan mee laten wegen bij de beslissing op bezwaar. Tenslotte betoogt appellante dat haar eigen bedrijfsbelang meegewogen had moeten worden.

2.2.1.    Dit betoog faalt. Het dagelijks bestuur heeft, anders dan appellante stelt, betoogd dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet de doorslag kon geven. Het heeft hierbij niet alleen verwezen naar het feit dat een goede ruimtelijke onderbouwing van de bouwaanvraag ontbrak, maar ook naar de belangen van omwonenden. De rechtbank is hier terecht eveneens van uitgegaan. Het feit dat de ambtenaar, die op 12 november 2001 aan de architect van appellante mededeelde dat de bouwaanvraag binnen het geldende bestemmingsplan paste, bevoegd was om de gevraagde informatie te verschaffen, neemt niet weg dat hij niet bevoegd was om ter zake namens het dagelijks bestuur een beslissing te nemen. Van een architect mag worden verwacht dat hij hiervan op de hoogte is. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat er geen sprake is van rechtens te honoreren verwachtingen.

2.2.2.    Ook het betoog van appellante dat de voor de vrijstelling benodigde ruimtelijke onderbouwing niet ontbrak, gaat niet op. Het dagelijks bestuur heeft, door aan te geven dat ernaar wordt gestreefd het kleinschalige karakter van de Jordaan te behouden en functiemenging te stimuleren, voldoende gemotiveerd waarom een sportschool met de door appellante gewenste omvang en uitstraling ter plaatse niet gewenst is.

2.2.3.    Voorts betoogt appellante ten onrechte dat het dagelijks bestuur het gemeentelijk sportbeleid had moeten meewegen bij de beslissing op bezwaar. Het gemeentelijk sportbeleid is immers - nog daargelaten of het in dit geval tot een voor appellante positieve beslissing had moeten leiden - niet aan de orde nu aan dit geding een beslissing op bezwaar ten grondslag ligt van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam. De rechtbank is hier dan ook terecht aan voorbij gegaan.

2.2.4.    Appellante betoogt eveneens tevergeefs dat het dagelijks bestuur uitsluitend het aantal en niet de inhoud van de zienswijzen heeft laten meewegen bij de belangenafweging die ten grondslag lag aan de beslissing op bezwaar. In het advies van de bezwaarschriftencommissie van 5 juni 2003 dat deel uitmaakt van de motivering van de beslissing op bezwaar wordt het grote aantal zienswijzen genoemd om aan te geven dat met de beslissing op bezwaar de belangen van veel omwonenden gemoeid zijn. Hieruit kan niet worden geconcludeerd dat daarmee de inhoud van de zienswijzen niet is meegewogen. Bovendien zou, zo appellante er al in zou slagen tegemoet te komen aan de inhoud van de zienswijzen, dit niet wegnemen dat de voorgenomen bebouwing in strijd zou blijven met de doelstelling van het dagelijks bestuur het kleinschalige karakter van de Jordaan te behouden. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.2.5.    Het betoog van appellante dat haar eigen bedrijfsbelang niet is meegenomen treft evenmin doel. Er zijn geen aanwijzingen dat het dagelijks bestuur dit belang niet bij de gemaakte afweging betrokken zou hebben.

2.2.6.    Ten slotte faalt ook het betoog van appellante dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur zowel heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel als met het motiveringsbeginsel. Appellante is er niet in geslaagd aan te tonen dat de nadelige gevolgen van het weigeren van de vrijstelling voor haar onevenredig zijn in verhouding tot de belangen die gediend zijn met het behoud van het kleinschalige karakter van de Jordaan.

2.3.    De rechtbank is dan ook terecht en op goede gronden tot de slotsom gekomen dat er geen grond is voor het oordeel dat het dagelijks bestuur bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO te verlenen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2005

66-488.