Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7464

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
15-06-2005
Zaaknummer
200408920/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vergunning verleend voor een tankstation op het perceel, kadastraal bekend gemeente Son en Breugel, sectie […], nummers […], plaatselijk bekend [locatie] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408920/1.

Datum uitspraak: 15 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 juli 2004 in het geding tussen:

appellant e.a.

en

het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vergunning verleend voor een tankstation op het perceel, kadastraal bekend gemeente Son en Breugel, sectie […], nummers […], plaatselijk bekend [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 mei 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd onder verlening van een vrijstelling als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 2, van paragraaf III van het bestemmingsplan "Kanaalstraat e.o., 1e herziening".

Bij uitspraak van 21 juli 2004, verzonden op 23 september 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 2 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 november 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 december 2004 heeft [vergunninghoudster] verzocht als partij in het geding te worden aangemerkt.

Bij brief van 26 januari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 17 mei 2005, waar geen van de partijen is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In artikel 44, eerste lid, van de Woningwet is bepaald: "de reguliere bouwvergunning mag slechts en moet worden geweigerd, indien:"

(…)

"c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;"

(…).

2.1.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kanaalstraat e.o., 1e herziening" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden van het perceel onder meer de bestemming "verkooppunt voor motorbrandstoffen".

   In artikel 1, aanhef en onder 2, van paragraaf III van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan is bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn vrijstelling te verlenen van het bepaalde in de voorschriften ten behoeve van het bouwen met een geringe mate van afwijking van de plaats en richting van de bebouwingsvlak-, bebouwings- en bestemmingsgrenzen indien dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of onnauwkeurigheden van de plankaart ten opzichte van de feitelijke situatie of in die gevallen waar een rationele verkaveling van de gronden dit vergt en mits daardoor geen belangen van derden onevenredig worden geschaad.

2.2.    De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat het college de aanvraag terecht in behandeling heeft genomen. Niet in geschil is dat de aanvraag voldoet aan de eisen die het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning daaraan stelt. Voorts is het, anders dan appellant kennelijk meent, voor de beoordeling van de aanvraag niet van belang of de daarbij behorende tekening van het bouwplan in overeenstemming is met hetgeen - vooruitlopend op de vergunning - reeds is gebouwd. De aanvraag kwam derhalve niet in aanmerking voor toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3.    Appellant betoogt dat het tankstation, waaronder de vloeistofdichte vloer, in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het niet geheel is gelegen op gronden met de bestemming "verkooppunt voor motorbrandstoffen".

2.3.1.    Voorop wordt gesteld dat de rechtbank er, mede gelet op de tekeningen behorende bij de aanvraag, terecht van is uitgegaan dat de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde bouwvergunning ziet op de luifel, de pompen en de vloeistofdichte vloer. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat deze vergunning is gevraagd en verleend voor een tankstation, waarvan deze elementen een essentieel onderdeel vormen.

2.3.2.    Vast staat dat het tankstation in de aanvraag is geprojecteerd op het bestemmingsvlak "verkooppunt voor motorbrandstoffen" en dat dit bestemmingsvlak een breedte heeft van tenminste 17 meter. Op grond van de aanvraag, waaronder de bouwtekeningen, kan niet worden vastgesteld dat het tankstation breder is dan 17 meter. Derhalve valt niet te constateren dat het tankstation de grenzen van het bestemmingsvlak "verkooppunt voor motorbrandstoffen" overschrijdt. Hierin was dan ook geen grond gelegen voor het weigeren van de vergunning, dan wel voor het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 2, van paragraaf III van het bestemmingsplan. Het betoog van appellant faalt derhalve.

2.4.    De bestrating, die dient als in- en uitrit van het tankstation, en het prijzenbord en het bord "water en lucht" zijn in deze procedure niet aan de orde, nu zij geen deel uitmaken van de bouwvergunning die bij de beslissing op bezwaar is gehandhaafd.

2.5.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de gronden gericht tegen de feitelijke situatie op het perceel niet tot het door appellant gewenste doel kunnen leiden, aangezien beroep is ingesteld tegen de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde bouwvergunning.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2005

292.