Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7449

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
15-06-2005
Zaaknummer
200408145/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 november 2001 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) het aan appellante verstrekte huursubsidiebedrag wegens haar verhuizing naar de [locatie 1] te [plaats], over de periode 1 juni 2001 tot en met 30 juni 2001 gewijzigd vastgesteld en haar een bedrag toegekend van ƒ 541,00 (€ 245,50).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408145/1.

Datum uitspraak: 15 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/3729 van de rechtbank Amsterdam van 23 augustus 2004 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2001 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) het aan appellante verstrekte huursubsidiebedrag wegens haar verhuizing naar de [locatie 1] te [plaats], over de periode 1 juni 2001 tot en met 30 juni 2001 gewijzigd vastgesteld en haar een bedrag toegekend van ƒ 541,00 (€ 245,50).

Bij besluit van 3 juli 2003 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 augustus 2004, verzonden op 25 augustus 2004, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 1 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 oktober 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 november 2004 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2005, waar appellante in persoon en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 29 januari 2001 heeft de Staatssecretaris voor de periode van 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2001 aan appellante huursubsidie toegekend ten bedrage ƒ 5.496,00 (€ 2.493,98) met betrekking tot haar woning aan de [locatie 2] te [plaats]. In verband met de verhuizing per 1 mei 2001 van appellante naar de [locatie 1] te [plaats] heeft de Staatssecretaris bij besluit van 25 april 2001 de hoogte van de huursubsidie gewijzigd vastgesteld en aan appellante voor de periode 1 juli 2000 tot en met 30 april 2001 een totaalbedrag toegekend van ƒ 4.580,00 (€ 2.078,31). Vervolgens is bij besluit van 12 november 2001 aan appellante over de maand juni 2001 een bedrag aan huursubsidie toegekend van ƒ 541,00 (€ 245,50). Ten behoeve van de maand mei 2001 is aan appellante geen huursubsidie toegekend.

2.2.    Appellante is van mening dat zij ook over de maand mei 2001 recht heeft op huursubsidie en heeft om die reden een bezwaarschrift ingediend gericht tegen laatstgenoemd besluit.

2.3.    De rechtbank heeft het bezwaar van appellante met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft daarbij overwogen dat het bezwaarschrift eerst op 3 januari 2002, derhalve buiten de ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Awb gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, door de Staatssecretaris is ontvangen.

2.4.    De Afdeling is, anders dan appellante in hoger beroep heeft betoogd, van oordeel dat de rechtbank met recht zelfvoorziend het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat het besluit van 12 november 2001 diezelfde dag is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift de dag erna, zijnde 13 november 2001, is aangevangen en op 24 december 2001 is geëindigd.

    Appellante heeft gesteld dat zij het bezwaarschrift op 5 december 2001 per aangetekende post heeft verzonden. Zij heeft echter geen stukken kunnen overleggen waaruit deze aangetekende verzending blijkt. Vast staat dat het bezwaarschrift eerst op 3 januari 2002 door de Staatssecretaris is ontvangen, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bezwaarschrift buiten de wettelijke termijn en dus te laat is ingediend. Ook indien betekenis zou moeten toekomen aan het gegeven dat abusievelijk onder het besluit is vermeld dat daartegen tot 28 december 2001 bezwaar kan worden gemaakt, leidt dit niet tot een ander oordeel. Weliswaar is het bezwaarschrift dan ingekomen in de zevende week, maar ook dan geldt dat niet is gebleken dat het bezwaarschrift voor het einde van de zes weken termijn ter post is bezorgd.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Glerum

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2005

273-384.