Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7421

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
15-06-2005
Zaaknummer
200407847/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2003 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Feijenoord van de gemeente Rotterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellanten onder toepassing van bestuursdwang aangeschreven als bedoeld in artikel 14, eerste lid, en artikel 17, eerste lid, van de Woningwet om binnen zes weken na de dagtekening van dit besluit aan het pand, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], (hierna: het pand) de in de voorzieningenlijst genoemde werkzaamheden op afdoende wijze te (laten) verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407847/1.

Datum uitspraak: 15 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, GEMWT 03/3297 RIP, van 10 augustus 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Feijenoord van de gemeente Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2003 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Feijenoord van de gemeente Rotterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellanten onder toepassing van bestuursdwang aangeschreven als bedoeld in artikel 14, eerste lid, en artikel 17, eerste lid, van de Woningwet om binnen zes weken na de dagtekening van dit besluit aan het pand, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], (hierna: het pand) de in de voorzieningenlijst genoemde werkzaamheden op afdoende wijze te (laten) verrichten.

Bij besluit van 29 oktober 2003 heeft het dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit herroepen, bepaald dat de punten 1b, 1c, 4f, 6b, 6c, 11a, 11b, 11c, 11d van de voorzieningenlijst komen te vervallen, bepaald dat de overige punten van de voorzieningenlijst op 15 november 2003 dienen te zijn uitgevoerd en het besluit voor het overige gehandhaafd.

Bij uitspraak van 10 augustus 2004, GEMWT 03/3297 RIP, verzonden op 11 augustus 2004, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 22 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 november 2004 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door R.A. Tholel, gemachtigde, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. W.R. Scheffer en J. Heuvelink, ambtenaren van de deelgemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De gronden die zijn gericht tegen de begunstigingstermijn van 6 weken die is geboden bij het besluit van 18 juni 2003, kunnen niet slagen, reeds omdat deze termijn bij de beslissing op bezwaar is herroepen en derhalve niet meer geldt. Zoals ook ter zitting is gebleken bestrijden appellanten de thans geldende begunstigingstermijn die bij de beslissing op bezwaar is gesteld en die door de rechtbank is beoordeeld, niet.

   Het betoog van appellanten inzake de overschrijding van de beslistermijn van de bestreden beslissing op bezwaar, faalt evenzeer. Er is geen wettelijk voorschrift waarin is bepaald dat de beslissing op bezwaar niet in stand kan blijven indien de beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht, is overschreden. Evenmin is er grond om te oordelen dat appellanten door deze gang van zaken zodanig in hun belangen zijn geschaad dat de bestreden beslissing op bezwaar om die reden wegens strijdigheid met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of met enig algemeen rechtsbeginsel niet in stand kan worden gelaten. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat appellanten tegen het uitblijven van een beslissing op hun bezwaar, gelet op artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht, beroep hadden kunnen instellen, hetgeen zij hebben nagelaten.

2.2.    In artikel 14, eerste lid, van de Woningwet is bepaald dat indien een woning, woonkeet of woonwagen wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.

   In artikel 17, eerste lid, van de Woningwet is bepaald dat indien een gebouw, niet zijnde een woning, woonkeet of woonwagen, wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, kunnen aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.

2.3.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur vanwege de gebreken die zijn vermeld op de bij de bestreden beslissing op bezwaar bepaalde gebrekenlijst, bevoegd was appellanten aan te schrijven als bedoeld in artikel 14, eerste lid, en 17, eerste lid, van de Woningwet.

2.4.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid tot de aanschrijving heeft kunnen besluiten.

2.4.1.    Dit betoog faalt. Voorop gesteld moet worden dat voorzover de bestreden beslissing op bezwaar betrekking heeft op de gebreken van de woningen in het pand, het dagelijks bestuur gehouden was appellanten aan te schrijven. Uit het dwingend bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Woningwet volgt immers onder meer dat moet worden aangeschreven indien is gebleken dat een woning de gebreken vertoont die zijn vermeld op de bij de bestreden beslissing op bezwaar bepaalde gebrekenlijst.

   Het verhandelde ter zitting en de stukken van het geding geven voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank de aanschrijving, gedaan op grond van artikel 17, eerste lid, van de Woningwet, ten onrechte in stand heeft gelaten. Dat met de bestreden beslissing op bezwaar is beoogd appellanten te straffen voor de kamerverhuur, zoals zij betogen, blijkt niet uit de aanschrijving, nu die ertoe strekt de daarbij genoemde gebreken aan het pand te verhelpen. Vast staat dat deze gebreken zijn geconstateerd bij een controle door ambtenaren als bedoeld in artikel 100, tweede lid, van de Woningwet. Dat het pand is gecontroleerd naar aanleiding van een vermoeden van strijdig gebruik, staat niet in de weg aan deze aanschrijving. De omstandigheid dat appellanten voor een deel van deze gebreken ook in maart 2000 zijn aangeschreven en dat deze aanschrijving destijds - na controle - is doorgehaald, leidt evenmin tot het oordeel dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid tot de aanschrijving betrekking hebbend op de daarbij in 2003 geconstateerde gebreken kon besluiten.

2.5.    Nu appellanten terecht zijn aangeschreven, is er geen grond voor veroordeling van het college tot vergoeding van de gestelde schade.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2005

292.