Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7417

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
15-06-2005
Zaaknummer
200408873/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2003 heeft appellant geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te verlenen ten behoeve van de vestiging van een glastuinbouwbedrijf op het perceel, kadastraal bekend gemeente Dongen, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408873/1.

Datum uitspraak: 15 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Dongen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 september 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2003 heeft appellant geweigerd aan [wederpartij] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te verlenen ten behoeve van de vestiging van een glastuinbouwbedrijf op het perceel, kadastraal bekend gemeente Dongen, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dongen (hierna: het college) het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 september 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 november 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 december 2004 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A.A.M. van der Aa, ambtenaar der gemeente en [wederpartij], vertegenwoordigd door ing. J.B.M. Lauwerijssen, gemachtigde, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte de beslissing op bezwaar van 29 september 2003 heeft vernietigd op de grond dat deze onbevoegdelijk is genomen.

   Dat betoog faalt. Appellant heeft in het besluit tot weigering van de vrijstelling van 17 april 2003 tevens besloten het college, dan wel een door het college aan te wijzen ambtenaar, te machtigen tot afwikkeling namens hem van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Het college heeft vervolgens beslist op het door [wederpartij] ingediende bezwaarschrift. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 6 januari 1997, in zaak no. H01.96.0230 (AB 1997, 86, JB 1997/25 en Gemeentestem 1997, 7053, 4) voorziet de bezwaarprocedure, als neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), niet in de mogelijkheid om het nemen van de beslissing op bezwaar over te dragen aan een ander bestuursorgaan dan het bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen. Dit is in strijd met de in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb voorgeschreven heroverwegingsplicht. De rechtbank heeft dan ook terecht, zij het op andere gronden, geoordeeld dat de beslissing op bezwaar van 29 september 2003 onbevoegdelijk is genomen en om die reden moet worden vernietigd. Dat het college voorheen op basis van een soortgelijk mandaatbesluit heeft beslist op bezwaren tegen een door appellant genomen primair besluit doet aan het vorenstaande niet af.

2.2.    Met betrekking tot de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak opgenomen inhoudelijke overwegingen overweegt de Afdeling het volgende. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in het kader van de belangenafweging bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar aandacht moet besteden aan de (ruimere) mogelijkheden die het oude - en thans nog geldende - bestemmingsplan "Buitengebied" biedt voor het ter plaatse vestigen van een glastuinbouwbedrijf. Dit neemt niet weg dat het college in dit verband eveneens betekenis mag toekennen aan het actuele planologische beleid van de gemeente en de provincie. Tevens blijft onverlet de verplichting van de gemeenteraad om, gelet op het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 30 september 2003 tot onthouding van goedkeuring aan het bestemmingsplan "Dongen Buitengebied 1997", (alsnog) een herziening van dit bestemmingsplan vast te stellen.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet, met verbetering van de gronden, worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van Roosmalen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2005

53-422.