Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7416

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
15-06-2005
Zaaknummer
200409317/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Losser (hierna: het college) aan appellante bouwvergunning verleend voor een opslagruimte op het perceel [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2006, 10 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Vastgoed en wonen 2005/874
JOM 2007/686
OGR-Updates.nl 1000987
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409317/1.

Datum uitspraak: 15 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak van de rechtbank Almelo van 6 oktober 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Losser.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Losser (hierna: het college) aan appellante bouwvergunning verleend voor een opslagruimte op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 17 juni 2003 heeft het college het daartegen onder meer door [partij] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 28 oktober 2002 herroepen en alsnog bouwvergunning geweigerd.

Bij uitspraak van 6 oktober 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 17 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 december 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 januari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

[partij] heeft gereageerd bij brief van 24 januari 2005.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2005, waar appellante vertegenwoordigd door mr. G.J.R. Lutje Schipholt en [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door mr. B.H. Nijland, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is verschenen [partij], vertegenwoordigd door mr. M. Nijkamp, advocaat te Enschede.

2.    Overwegingen

2.1.    Op het perceel is een kwekerij gevestigd. Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van een bestaand bedrijfsgebouw en het oprichten van een opslaghal.

2.2.    Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied, 1e partiële herziening" bestemd voor "Agrarisch bouwblok".

   Ingevolge artikel 3, lid A, van de planvoorschriften, voorzover van belang, zijn de voor "Agrarisch bouwblok" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf met daarbij behorende bebouwing en erven.

   Ingevolge artikel 3, lid B, van de planvoorschriften, voorzover van belang, mag op de tot "Agrarisch bouwblok" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder s, van de planvoorschriften wordt in de voorschriften verstaan onder agrarisch bedrijf: een veehouderij- akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met uitzondering van een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege).

2.3.    Ter zitting van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Losser is gebleken dat appellante voornemens is dagelijks verstandelijk gehandicapten onder begeleiding te laten participeren in de werkzaamheden van de kwekerij. Op grond van die informatie heeft het college zich bij de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat de opslaghal mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming "Agrarisch bouwblok" voorziet, en heeft het de bouwvergunning herroepen en de gevraagde bouwvergunning alsnog geweigerd. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat standpunt onderschreven.

2.4.    Appellante betwist het oordeel van de rechtbank en betoogt dat van een beoogd strijdig gebruik van de opslaghal geen sprake is. Ter onderbouwing van dat betoog heeft zij in hoger beroep een door een adviseur van de Gewestelijke Land- en Tuinbouworganisatie opgesteld rapport overgelegd waarin een beschrijving van het bedrijf wordt gegeven en de voorgenomen activiteiten van de verstandelijk gehandicapten in het bedrijf worden toegelicht. Nu dit rapport niet meer bevat dan een nadere onderbouwing van het reeds van meet af door appellante ingenomen standpunt en het college voorts voldoende gelegenheid heeft gehad daarop te reageren bestaat, anders dan het college heeft betoogd, geen grond dat rapport in deze procedure buiten beschouwing te laten.

2.5.    Uit de processtukken en de ter zitting van de zijde van appellante gegeven toelichting blijkt dat appellante afspraken heeft gemaakt met een zorginstelling voor verstandelijk gehandicapten over de inschakeling van deze personen bij de bedrijfsactiviteiten van de kwekerij. Een kleine groep verstandelijk gehandicapten zal dagelijks van ongeveer 10.00 u tot ongeveer 16.00 u in een beperkt gedeelte van de opslaghal planten in potten plaatsen en die vervolgens uitzetten in de aangrenzende kassen. Gelet op de veiligheidsrisico's kan bij deze werkzaamheden geen gebruik worden gemaakt van een machine. Mede om die reden bedraagt de arbeidsproductiviteit van een verstandelijk gehandicapte medewerker slechts ongeveer 6% van die van een gemiddelde medewerker zonder handicap die met een machine werkt. De begeleiding is beperkt tot het enkele toezicht door één persoon die zelf ook deelneemt aan de werkzaamheden. Appellante ontvangt van de zorginstelling een vergoeding voor de inschakeling van de gehandicapten. Deze bedraagt ongeveer een derde van de omzet van het agrarische bedrijf. Dat aandeel in de omzet zal volgens appellante afnemen nu het bedrijf op korte termijn wordt uitgebreid. Appellante beschikt over een bouwvergunning die voorziet in een verdubbeling van het thans aanwezige aantal vierkante meters kassen.

2.6.    De Afdeling is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de opslaghal niet strekt ten dienste van de uitoefening van een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 3, lid A, van de planvoorschriften. De hal zal voor het grootste deel worden gebruikt voor opslag van machines en materialen. Dat in het kader van georganiseerde dagbesteding van verstandelijk gehandicapten door dezen in een deel van de hal werkzaamheden zullen worden verricht, maakt niet dat de hal wordt opgericht voor een gebruiksdoel dat niet past binnen de bestemming. Daarbij is van belang dat de door de verstandelijk gehandicapten te verrichten werkzaamheden deel uit maken van de normale bedrijfsactiviteiten van het agrarische bedrijf. Deze bedrijfsactiviteiten blijven als zodanig voortbestaan. De omstandigheid dat de werkzaamheden onder toezicht van één persoon worden verricht biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van zorgverlening. De door appellante van de zorginstelling ontvangen vergoedingen voor de inschakeling van de verstandelijk gehandicapten bij het arbeidsproces leidt - mede bezien tegen de achtergrond van de beperkte arbeidsproductiviteit van deze personen - evenmin tot het oordeel dat de door hen verrichte werkzaamheden niet plaatsvinden in het kader van de uitoefening van het agrarische bedrijf. Voorts is genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de continuïteit van het agrarische bedrijf niet afhankelijk is van de ontvangst van deze vergoedingen. Het voorgaande brengt mee dat het college - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - het beoogde gebruik van de opslaghal ten onrechte in strijd met de agrarische bestemming heeft geacht en de bouwvergunning derhalve ten onrechte om die reden heeft herroepen.

2.7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 17 juni 2003 in stand zijn gelaten. Voor het overige gedeelte dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.8.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 6 oktober 2004, 03/669 WW44 AG1 A, voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 17 juni 2003 in stand zijn gelaten;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Losser tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Losser aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Losser aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 205,00 (zegge: tweehonderdvijf euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Willems

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2005

412.