Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7414

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
15-06-2005
Zaaknummer
200410163/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 30 oktober 2003 heeft het College van Bestuur van het Regionaal Openbaar Lichaam 'Knooppunt Arnhem-Nijmegen' (hierna: het college) appellante naar aanleiding van een door haar op 29 september 2003 ingediende klacht nadere informatie verstrekt over de tijdelijke wijziging van het rangordecriterium van woonduur naar inschrijftijd voor woningzoekenden van buiten het gebied Knooppunt Arnhem-Nijmegen (hierna: het KAN).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410163/1.

Datum uitspraak: 15 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 november 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het College van Bestuur van het Regionaal Openbaar Lichaam

'Knooppunt Arnhem-Nijmegen'.

1.    Procesverloop

Bij brief van 30 oktober 2003 heeft het College van Bestuur van het Regionaal Openbaar Lichaam 'Knooppunt Arnhem-Nijmegen' (hierna: het college) appellante naar aanleiding van een door haar op 29 september 2003 ingediende klacht nadere informatie verstrekt over de tijdelijke wijziging van het rangordecriterium van woonduur naar inschrijftijd voor woningzoekenden van buiten het gebied Knooppunt Arnhem-Nijmegen (hierna: het KAN).

Bij brief van 5 januari 2004 heeft appellante het college medegedeeld dat zij zich door deze wijziging gedupeerd voelt en dat zij bezig is gerechtelijke stappen te ondernemen.

Bij brief van 27 april 2004 heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank).

Bij uitspraak van 4 november 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het door appellante ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 januari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2005, waar appellante in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door C.L.J.M. Basten, werkzaam bij het college, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

    Ingevolge artikel 1:3, vierde lid, van de Awb wordt onder beleidsregel verstaan een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.

    Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

    Ingevolge artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, voorzover thans van belang, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een beleidsregel.

    Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, voorzover thans van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

    Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder t, van de Regionale Huisvestingsverordening Knooppunt Arnhem-Nijmegen 2002 (hierna: de Huisvestingsverordening) wordt in deze verordening onder meettijd verstaan: woonduur of inschrijfduur.

    Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder r, van de Huisvestingsverordening wordt onder woonduur verstaan: de periode dat een woningzoekende aaneensluitend zijn/haar huidige woonruimte bewoont conform de gegevens van het bevolkingsregister.

    Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder s, van de Huisvestingsverordening wordt onder inschrijfduur verstaan: periode dat een starter staat geregistreerd als woningzoekende.

    Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van de Huisvestingsverordening, voorzover thans van belang, spannen burgemeester en wethouders zich in om met de in hun gemeente werkzame corporaties een overeenkomst als bedoeld in artikel 4 van de Huisvestingswet af te sluiten over het in gebruik geven van de door de corporaties beheerde woonruimten en hierin afspraken vast te leggen over de wijze waarop de samenwerking op het terrein van de woonruimteverdeling vorm wordt gegeven.

    Ingevolge artikel 2.1, derde lid, van de Huisvestingsverordening wordt de woning aangeboden aan de reagerende woningzoekende met hoogste urgentie of langste meettijd. Als twee kandidaten voor dezelfde woonruimte een gelijke meettijd hebben dan geldt dat doorstromers voor starters gaan. Van deze bepaling kan bij overeenkomst worden afgeweken in geval van het vierde lid van dit artikel of in geval van artikel 5.2 van de Huisvestingsverordening.

    Ingevolge artikel 4.3 van de Huisvestingsverordening is een Regionale Klachtencommissie ingesteld als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Huisvestingswet. Deze commissie is onafhankelijk van de gemeenten en corporaties en besluit over klachten inzake de uitvoering van woonruimteverdeling.

    Ingevolge artikel 5.2 van de Huisvestingsverordening besluit het college in overleg met de Stichting Regionaal Overleg Woningcorporaties KAN en na instemming van burgemeester en wethouders van die gemeenten en na instemming van de corporatie(s) werkzaam in die gemeenten, indien over een periode van een jaar blijkt dat de kansen van woningzoekenden behorende tot de doelgroep om een woning aangeboden te krijgen, aanzienlijk worden verkleind door het niet hanteren van passendheidscriteria bij het aanbieden van woningen of anderszins, daar waar de genoemde kansen zijn verkleind, het woonruimteverdelingsbeleid aan te passen. Dit ter waarborging van de positie van de woningzoekende.

    Ingevolge artikel 6.1 van de Huisvestingsverordening is het college bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere hardheid leidt gemotiveerd af te wijken van deze verordening.

2.2.    Het college heeft ter zitting uiteengezet dat het uitvoerend bureau "Entree", dat is gemachtigd door de corporaties, de beschikbare woningen toewijst op basis van de langste inschrijfduur en dat iemand die het met een toewijzing niet eens is, zich kan wenden tot de Regionale Klachtencommissie en daarna eventueel tot de burgerlijke rechter. Het college heeft in individuele gevallen slechts de bevoegdheid de zogenoemde hardheidsclausule, als vermeld in artikel 6.1 van de Huisvestingsverordening, toe te passen. Wat de toewijzing van woningen betreft is aldus sprake van een geprivatiseerd systeem, met uitzondering van de eventuele toepassing van de hardheidsclausule.

2.3.    Voorts is de Afdeling uit de stukken en het verhandelde ter zitting het navolgende gebleken.

    Met ingang van 1 juli 2003 is het door het college op grond van de Regionale Huisvestingsverordening KAN gevoerde woonruimteverdelingsbeleid voor doorstromers van buiten de KAN-regio gewijzigd. Bij het bepalen van de voorkeursvolgorde voor het toewijzen van huurwoningen voor deze woningzoekenden wordt vanaf 1 juli 2003 niet langer uitgegaan van de woonduur, maar van de inschrijftijd.

    Bij brief van 29 september 2003 heeft appellante bij de Klachtencommissie KAN een klacht ingediend tegen deze wijziging.

    De Klachtencommissie heeft appellante bij brief van 14 oktober 2003 bericht de brief te hebben doorgestuurd naar het college, omdat de bevoegdheid om het beleid aan te passen onder verantwoordelijkheid van dit college valt.

    Het college heeft appellante bij brief van 30 oktober 2003 een nadere uitleg gegeven over de tijdelijke beleidswijziging.

    Bij brief van 5 januari 2004 heeft appellante het college laten weten dat ze bezig is gerechtelijke stappen te ondernemen, maar dat ze geen bezwaar kan maken omdat ze geen beschikking heeft ontvangen.

    Bij brief van 14 januari 2004 heeft de Klachtencommissie KAN appellante medegedeeld deze brief te hebben doorgestuurd naar het college.

2.4.    De rechtbank heeft overwogen dat, indien de brief van appellante van 5 januari 2004 al moet worden uitgelegd als het indienen van bezwaar tegen een besluit, niet duidelijk is tegen welk besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb dit bezwaar moet worden geacht te zijn gericht. Nu tevens geen besluit van het college op de brief van 5 januari 2004 is gevolgd en er geen grond is om de reactie van de Klachtencommissie KAN van 14 januari 2004 aan het college toe te rekenen, ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank een beslissing op bezwaar in de zin van de Awb. Daarom heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen.

2.5.    Appellante betoogt in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat met de publicatie van de brief "Belangrijke wijziging voor doorstromers van buiten de regio" sprake is van een besluit of een beleidsregel van een bestuursorgaan, dat haar brief van 29 september 2003 dient te worden aangemerkt als een daartegen gericht bezwaarschrift en dat de reactie van het college van 30 oktober 2003 daarom een beslissing op bezwaar betreft, waartegen beroep openstaat bij de rechtbank.

2.5.1.    Dit betoog faalt. De brief van 29 september 2003 behelst een klacht tegen de verandering van de voor appellante geldende meettijd. Inzoverre die klacht zich richt tegen de wijziging van het woonruimteverdelingsbeleid is deze doorgezonden aan het college, waarop het college bij brief van 30 oktober 2003 nadere uitleg heeft gegeven over die tijdelijke beleidswijziging. Deze brief is van informatieve aard en behelst geen besluit, als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Uit het beroepschrift van appellante van 27 april 2004 valt niet op te maken dat dit is gericht tegen voormelde brief. Inzoverre appellante met dit geschrift heeft beoogd op te komen tegen de beleidswijziging, overweegt de Afdeling dat daartegen ingevolge artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb geen beroep openstaat bij de rechtbank, zodat daartegen evenmin op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb bezwaar kan worden gemaakt. Er was derhalve geen grond voor de rechtbank om het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Awb ter behandeling als bezwaarschrift door te zenden aan het college.

    Voorts bestond voor het college, gelet op de algemene bewoordingen waarin bovenvermelde brieven zijn gesteld, geen aanleiding deze op te vatten als een verzoek van appellante om haar met toepassing van de hardheidsclausule in afwijking van de voorkeursvolgorde een concrete woning toe te wijzen.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met enige verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2005

97-419.