Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7400

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2005
Datum publicatie
15-06-2005
Zaaknummer
200503954/1 en 200503954/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2004  heeft het dagelijks bestuur van stadsdeel Amsterdam-centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) aan [wederpartij] een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet verleend met uitzondering van het middengedeelte van het horecabedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503954/1 en 200503954/2.

Datum uitspraak: 7 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

de burgemeester van Amsterdam en het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/113, AWB 05/920, AWB 05/110 en AWB 05/921 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 april 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats]

en

appellanten.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2004  heeft het dagelijks bestuur van stadsdeel Amsterdam-centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) aan [wederpartij] een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet verleend met uitzondering van het middengedeelte van het horecabedrijf.

Bij besluit van 25 november 2004 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 28 mei 2004 heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) aan [wederpartij] een vergunning als bedoeld in artikel 3.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) geweigerd voor het terras aan de achterzijde van het horecabedrijf.

Bij besluit van 24 november 2004 heeft de burgemeester het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 april 2005, verzonden op 18 april 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) de door [wederpartij] tegen de weigering van een vergunning als bedoeld in artikel 3.2 van de APV voor voormeld terras en tegen de weigering van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank -en Horecawet voor het middengedeelte van de inrichting ingestelde beroepen gegrond verklaard en de bestreden beslissingen op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 3 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van dezelfde datum, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2005, hebben appellanten voorts de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. A.H.M. Buijs en mr. J.A. Bijl, ambtenaren bij het stadsdeel Amsterdam-Centrum, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. S.K. Verwer, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Ingevolge artikel 3.2, vierde lid, van de APV, voorzover hier van belang, wordt een exploitatievergunning niet verleend als de vestiging in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

    Artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan Bickerseiland 1997 bepaalt dat de gronden op de kaart bestemd voor Woningen 3 (W3) zijn aangewezen voor woningen, bedrijven en kantoren op de eerste bouwlaag, met inbegrip van bergingen en andere nevenruimten, parkeerkelders en parkeersouterrains en bergingen in kelders en souterrains, alsmede voor woningen op de hoger gelegen bouwlagen, en wat betreft de onbebouwd blijvende delen voor tuinen en erven, groenvoorzieningen, water en openbare ruimte.

    Ingevolge artikel 5, derde lid, van de planvoorschriften mag in afwijking van het bepaalde in het eerste lid daar waar dit op de kaart nader is aangeduid met "horeca toegestaan" een horecabedrijf worden gebouwd en gebruikt met een maximumvloeroppervlak van 300 vierkante meter.

2.3.    [wederpartij] wenst een terras te exploiteren in de ruimte (vide) aan de achterzijde van haar restaurant. De burgemeester heeft haar aanvraag om een exploitatievergunning voor dat terras op grond van artikel 3.2, vierde lid, van de APV geweigerd en die beslissing in bezwaar gehandhaafd, omdat de exploitatie van het terras zijns inziens in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan Bickerseiland 1997.

2.4.    De burgemeester bestrijdt de door de voorzieningenrechter uitgesproken vernietiging van zijn beslissing op bezwaar. Hij handhaaft zijn standpunt dat verlening van een exploitatievergunning in strijd is met artikel 5, eerste lid van de planvoorschriften van het bestemmingsplan Bickerseiland 1997, in samenhang met het derde lid van dit artikel. De uitzondering van het derde lid staat geen horeca toe op onbebouwde delen, zoals hier het geval is, aldus de burgemeester.

2.5.    Blijkens het verhandelde ter zitting en de aldaar overgelegde foto's is de ruimte waar [wederpartij] een terras wenst te exploiteren een ruimte gelegen in een gesloten waterdichte bak met een betonnen fundering, die langs alle woningen van het gehele nieuwbouwcomplex loopt. De vide is omsloten door vier wanden (waarvan aan één wand een noodtrap is bevestigd) en maakt onderdeel uit van een aaneengesloten bebouwing die krachtens bouwvergunning is gerealiseerd. Gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat de desbetreffende ruimte een bebouwde ruimte is, zodat het standpunt van de burgemeester dienaangaande geen stand kan houden. De exploitatie van het desbetreffende terras is dan ook niet in strijd met de bestemmingsplanvoorschriften. De voorzieningenrechter heeft de beslissing op bezwaar van de burgemeester terecht vernietigd.

2.6.    Aangezien het dagelijks bestuur de door [wederpartij] gevraagde vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet voor voormeld terras heeft geweigerd om de reden dat geen exploitatievergunning voor dat terras wordt verleend, zodat dit terras geen onderdeel uitmaakt van de inrichting, heeft de voorzieningenrechter de beslissing op bezwaar van het dagelijks bestuur gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in 2.5. evenzeer terecht vernietigd.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor het treffen van een voorziening geen aanleiding, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

2.8.    Appellanten dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af;

III.    veroordeelt de burgemeester van Amsterdam en het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Amsterdam aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Peute

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2005

391.