Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT7396

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2005
Datum publicatie
15-06-2005
Zaaknummer
200502887/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2005, kenmerk 1071217, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster een vergunning verleend voor een periode van 10 jaar voor het oprichten en in werking hebben van een recyclingbedrijf, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […] en sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 21 februari 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2005/50 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502887/2.

Datum uitspraak: 6 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2005, kenmerk 1071217, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster een vergunning verleend voor een periode van 10 jaar voor het oprichten en in werking hebben van een recyclingbedrijf, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […] en sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 21 februari 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 1 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 mei 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. K.M. Peters, advocaat te Tilburg, en J.C.M. van de Noort, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. N.A.M. Priems en P.J. van der Linden, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoekster stelt dat verweerder in voorschrift 1.1.2 ten onrechte de loader niet heeft opgenomen, nu deze, zoals vermeld in de gecorrigeerde rapportage van DGMR van 28 september 2004, reeds vanaf 6.00 uur in werking is.

2.2.1.    Ingevolge voorschrift 1.1.2 mag de weegbrug slechts voor aan- en afvoer in werking zijn op maandag tot en met vrijdag van 6.00 uur tot 19.00 uur en op zaterdag van 6.00 uur tot 18.00 uur.

2.2.2.    Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder zich op het standpunt stelt dat uit voorschrift 1.1.2 impliciet blijkt dat ook de loader op de in dat voorschrift genoemde tijdstippen in werking mag zijn, nu het in werking zijn van deze loader naar het oordeel van verweerder vereist is voor aan- en afvoer. Van de zijde van verzoekster is ter zitting opgemerkt dat aan- en afvoer ook mogelijk zou zijn zonder het in werking zijn van de loader en dat uit dat voorschrift dan ook niet duidelijk blijkt dat de loader eveneens op de daarin genoemde tijdstippen in werking mag zijn. Ook de Voorzitter is van oordeel dat aan- en afvoerbewegingen niet per se afhankelijk zijn van het op datzelfde moment in werking zijn van de loader, zodat verweerder, nu hij heeft beoogd het in werking zijn van de loader toe te staan op de in voorschrift 1.1.2 genoemde tijdstippen, het besluit in zoverre in strijd met het zorgvuldigheidbeginsel heeft genomen. De Voorzitter zal bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van verweerder in zoverre schorsen en de voorlopige voorziening treffen dat een voorschrift aan de vergunning wordt verbonden waarin ook de loader is vermeld.

2.3.    Verzoekster kan zich niet verenigen met voorschrift 1.1.3. Ingevolge dit voorschrift, voorzover van belang, mag van de normale bedrijfstijden voor aan- en afvoer in voorschrift 1.1.2 in geval van calamiteiten ten hoogste twaalf maal per jaar worden afgeweken. Vergunninghoudster dient verweerder ten minste drie werkdagen voorafgaande aan de afwijking op de hoogte te stellen, bij voorkeur per telefax of e-mail.

   Verzoekster stelt dat het in geval van calamiteiten, die immers niet voorzienbaar zijn, niet mogelijk is om verweerder ten minste drie werkdagen van tevoren op de hoogte stellen.

   Ter zitting heeft verweerder erkend dat in voorschrift 1.1.3 ten onrechte de woorden "in geval van calamiteiten" zijn opgenomen. Verweerder heeft met het voorschrift niet beoogd een regeling te treffen voor calamiteiten maar voor de in het akoestisch rapport vermelde incidentele activiteiten in de avond- en nachtperiode, te weten de aan- en afvoer door in totaal drie vrachtwagens en ondersteunende werkzaamheden door de loader. Het besluit is in zoverre dan ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel genomen. De Voorzitter zal bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van verweerder in zoverre schorsen en de voorlopige voorziening treffen dat aan de vergunning een voorschrift wordt verbonden waarin de woorden "in geval van calamiteiten" worden vervangen door "in geval van de incidentele bedrijfssituaties als bedoeld in het bij de aanvraag behorend akoestisch rapport J.2000.0345.D van 19 februari 2004, p. 12".

2.4.    Verzoekster kan zich niet verenigen met voorschrift 4.1.2, aanhef en onder a. Ingevolge dit voorschrift dienen uiterlijk drie maanden na het in werking treden van deze beschikking van de navolgende vloeistofdichte voorzieningen geldige PBV-Verklaringen Vloeistofdichte Voorziening afgegeven te zijn:

a. gedeelte (grote) sorteerhal ter plaatse van sorteeractiviteiten; (…)

   Verzoekster wijst in dit verband op een in haar opdracht door ABV Haukes B.V. verrichte bodemrisico-analyse. Hieruit blijkt volgens haar dat de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (hierna: de NRB) niet dwingt tot een vloeistofdichte voorziening in de sorteerhal, doch dat kan worden volstaan met een vloeistofkerende voorziening, in combinatie met faciliteiten en visueel toezicht door personeel.

2.4.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat door het voortdurend aanwezig zijn van bouw- en sloopafval niet geconstateerd kan worden dat verontreinigd water uittreedt en dit water ook niet kan worden weggenomen. Naar het oordeel van verweerder moet het gedeelte van de sorteerhal, ter plaatse van de sorteeractiviteiten, om die reden vloeistofdicht zijn teneinde een verwaarloosbaar risico als bedoeld in de NRB te bereiken.

2.4.2.    In het beroepschrift, waarnaar wordt verwezen voor de gronden van het hier aan de orde zijnde verzoek, is vermeld dat de hoeveelheid te sorteren afval 200 à 300 ton per dag bedraagt. Ter zitting is van de zijde van verzoekster meegedeeld dat het gedeelte van de sorteerhal waar gesorteerd wordt enkele honderden vierkante meters beslaat en dat bij de sorteeractiviteiten twee personeelsleden aanwezig zijn. Gelet op de omvang van de activiteiten en het beperkte aantal daarbij aanwezige personeelsleden acht de Voorzitter de stelling van verweerder dat visuele controle en het wegnemen van water niet mogelijk is, zeer aannemelijk en ziet hij daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een vloeistofdichte vloer nodig is voor het betreffende gedeelte van de sorteerhal. De Voorzitter ziet in zoverre aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5.    Voorzover het verzoek zich tevens richt tegen voorschrift 4.1.2, aanhef en onder h, overweegt de Voorzitter dat partijen het er blijkens het verhandelde ter zitting over eens zijn dat een vloeistofdichte vloer niet nodig is op een andere plaats in de werkplaatsruimte dan het reeds onder g van dat voorschrift genoemde gedeelte van de werkplaats ter plaatse van de activiteiten met smeermiddelen. De Voorzitter zal daarom bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van verweerder in zoverre schorsen.

2.6.    Verzoekster betoogt dat verweerder in voorschrift 4.2.1 ten onrechte niet heeft bepaald dat de riolering slechts vloeistofdicht moet zijn tot aan de olieafscheider. Zij wijst in dit verband op voorschrift 4.1.1, aanhef en onder i, waarin verweerder met betrekking tot het afgeven van een geldige PBV-Verklaring Vloeistofdichte Voorziening wel alsnog heeft bepaald dat het gaat om het gedeelte van de riolering tot aan de olieafscheider.

2.6.1.    Verweerder heeft gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen voorzover het zich richt tegen voorschrift 4.2.1, nu het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.6.2.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.6.3.    Anders dan verweerder acht de Voorzitter het aannemelijk dat de Afdeling zal oordelen dat het beroep, voorzover gericht tegen voorschrift 4.2.1, wel zijn grondslag in de bedenkingen heeft en daarom in zoverre ontvankelijk is, nu in die bedenkingen is aangevoerd dat de riolering slechts vloeistofdicht zou moeten zijn tot aan de olie- en benzineafscheider. De Voorzitter ziet daarom aanleiding inhoudelijk op deze grond van het verzoek in te gaan.

   Uit de omstandigheid dat voorschrift 4.1.1, aanhef en onder i, op het door verzoekster bedoelde punt door verweerder is aangepast, leidt de Voorzitter af dat ook voorschrift 4.2.1 door haar had moeten worden aangepast, in die zin dat daarin had moeten worden bepaald dat de riolering vloeistofdicht moet zijn tot aan de olieafscheider. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening het besluit in zoverre te schorsen en de voorlopige voorziening te treffen dat een op dit punt aangepast voorschrift aan de vergunning wordt verbonden.

2.7.    Verzoekster stelt dat voorschrift 13.2.1 ten onrechte niet is beperkt tot de nabreker en dat in voorschrift 13.2.2 de bepaling dat de bewerking van hout alleen mag plaatsvinden als de waternevelaar van de nabreker in werking is, in die zin aangepast zou moeten worden dat die bepaling alleen geldt voor het bewerken van hout bij die nabreker.

2.7.1.    Ingevolge voorschrift 13.2.1, voorzover van belang, dient de shredderinstallatie te zijn voorzien van waternevelsproeiers die zodanig zijn aangebracht dat al het vrijkomende stof met de waternevel volledig wordt neergeslagen.

   Ingevolge voorschrift 13.2.2, voorzover van belang, mag het bewerken van hout alleen plaatsvinden als de waternevelaar van de nabreker in werking is.

2.7.2.    Blijkens de stukken beschikt de inrichting over twee shredders, waarmee hout in twee fasen kan worden gebroken, het zogenoemde voor- en nabreken. Ter zitting heeft verweerder erkend dat alleen het nabreken stofverspreiding kan opleveren en dat daarom alleen in deze fase de waternevelaar bij de nabreker in werking moet zijn. Hij heeft voorts erkend dat in voorschrift 13.2.1 ten onrechte geen onderscheid is gemaakt tussen deze twee fasen van het breken en dat voorschrift 13.2.2 ten onrechte niet zodanig is geformuleerd dat dit alleen ziet op het nabreken. De voorschriften 13.2.1 en 13.2.2 zijn in zoverre in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel genomen. Mede gelet op het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.1 ziet de Voorzitter aanleiding het besluit van verweerder in zoverre te schorsen.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 8 februari 2005, kenmerk 1071217, voorzover het de voorschriften 1.1.2, 1.1.3, 4.1.2, onder h, 4.2.1, 13.2.1 en 13.2.2 betreft;

II.    treft de voorlopige voorziening dat aan de vergunning de volgende voorschriften worden verbonden:

voorschrift 1.1.2

"De weegbrug en de loader mogen slechts voor aan- en afvoer in werking zijn op maandag tot en met vrijdag van 6.00 uur tot 19.00 uur en op zaterdag van 6.00 uur tot 18.00 uur.";

voorschrift 1.1.3

"Van de normale bedrijfstijden voor aan- en afvoer in voorschrift 1.1.2 mag in geval van de incidentele bedrijfssituaties als bedoeld in het bij de aanvraag behorend akoestisch rapport J.2000.0345.D van 19 februari 2004, p. 12, ten hoogste twaalf maal per jaar worden afgeweken. Vergunninghoudster dient gedeputeerde staten ten minste drie werkdagen voorafgaande aan de afwijking op de hoogte te stellen, bij voorkeur per telefax of e-mail. De data en de uren waarop is afgeweken dienen in een bedrijfstijdenregister te worden vastgelegd. Gedeputeerde staten kunnen nadere eisen stellen aan de werkwijze gedurende de buitennormale uren."

voorschrift 4.2.1

"Riolering voor de afvoer van bedrijfsafvalwater nabij de wasplaats, opslag en bewerking van B-hout, opslag van vervuilde of verdachte grond, opslag van zeefzand in bulk, opslag van zeefzand afkomstig vanuit de zeef- en breekinstallatie en wasinstallatie voor betonpuin moet vloeistofdicht zijn tot aan de olieafscheider en bestand tegen het af te voeren afvalwater.";

III.    wijst het verzoek voor het overige af;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 671,37 (zegge: zeshonderdeenenzeventig euro en zevenendertig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Lap

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2005

288.