Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6996

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
08-06-2005
Zaaknummer
200409755/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409755/1.

Datum uitspraak: 8 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 oktober 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Wageningen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 10 maart 2004 heeft het college het daartegen door [appellanten] gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en voor het overige het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Bij uitspraak van 20 oktober 2004, verzonden op 20 oktober 2004, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het in de uitspraak overwogene. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 29 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 december 2004 hebben appellanten een nadere toelichting  ingediend.

Bij brief van 17 januari 2005 heeft [vergunninghouder] een reactie ingediend.

Bij brief van 20 januari 2005 heeft het college een reactie ingediend.

Bij besluit van 25 januari 2005, verzonden op 28 januari 2005, heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en het bezwaar van appellanten wederom ongegrond verklaard.

Bij brief van 30 maart 2005 hebben appellanten tegen de nieuwe beslissing op bezwaar beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2005, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. D.C. van Eeten, advocaat te Elst, en het college, vertegenwoordigd door M. Ledder, gemachtigde, zijn verschenen. Voorts zijn [vergunninghouder] en [gemachtigde] verschenen, bijgestaan door mr. L.G.P. Frankfort, advocaat te Arnhem.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

   Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef, en onder a., van het Besluit op de ruimtelijke ordening (1985) (hierna: Bro), komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan voorziet in de oprichting van een zelfstandige woning.

2.2.1.    De bestaande woning heeft, afgaande op de bouwtekening behorende bij de verleende bouwvergunning, op de begane grond een oppervlakte van ongeveer 50 m². Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de bestaande woning aan de achterzijde en langs de zijgevel met een oppervlakte van in totaal ca. 80 m².

   De aanbouw langs de zijgevel, die wordt gerealiseerd ten behoeve van de huisvesting van de thans nog uitwonende gehandicapte zoon van vergunninghouder, heeft een oppervlakte van ongeveer 60 m² en wordt voorzien van een opbouw met een oppervlakte van ca. 18 m². De aanbouw heeft een eigen ingang en een eigen keuken, doch geen badkamer.

   Vastgesteld wordt dat de aanbouw, gelet op de omvang, de indeling van die ruimte met woonvoorzieningen, en de eigen toegang, zich leent voor zelfstandige bewoning, althans zonder ingrijpende veranderingen daarvoor geschikt te maken is. Daardoor is niet voldaan aan de in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a., van het Bro gestelde voorwaarde dat het aantal woningen als gevolg van de uitbreiding niet mag toenemen. Het college was derhalve niet bevoegd met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening bouwvergunning te verlenen voor het bouwplan. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend en is ten onrechte overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van de overige gronden van het beroep. De Afdeling zal derhalve een beoordeling van hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd over deze inhoudelijke beoordeling door de rechtbank achterwege laten.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. Nu de beslissing van de rechtbank juist is, dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop die beslissing rust, te worden bevestigd.

2.4.    Het college dient op de navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

2.5.     Het nieuwe besluit op bezwaar van 25 januari 2005 wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van voornoemde wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding.

Overweging 2.2.1 brengt mee dat het college bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar het besluit van 25 september 2003 alleen kon handhaven, na toepassing van een vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Bij het nieuwe besluit op bezwaar heeft het college geen toepassing gegeven aan een van voornoemde bepalingen. De Afdeling zal derhalve dit besluit vernietigen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop zij rust;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wageningen van 25 januari 2005;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wageningen tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 87,66 (zegge: zevenentachtig euro en zesenzestig cent); het dient door de gemeente Wageningen aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat gemeente Wageningen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 205,00 (zegge: tweehonderdenvijf euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Lodder

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005

381.