Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6993

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
08-06-2005
Zaaknummer
200500795/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 augustus 2004, kenmerk G620/04.00367.17, heeft verweerder afgewezen een verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van NS Railinfrabeheer B.V., tevens h.o.d.n. ProRail B.V. (hierna te noemen: ProRail B.V.) met betrekking tot het spoorwegemplacement, gelegen op het perceel Stationsplein 1-5 te Nijmegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500795/1.

Datum uitspraak: 8 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2004, kenmerk G620/04.00367.17, heeft verweerder afgewezen een verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van NS Railinfrabeheer B.V., tevens h.o.d.n. ProRail B.V. (hierna te noemen: ProRail B.V.) met betrekking tot het spoorwegemplacement, gelegen op het perceel Stationsplein 1-5 te Nijmegen.

Bij ongedateerd besluit, kenmerk G140/04.0052067, verzonden op 15 december 2004, heeft verweerder het hiertegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij op 17 februari 2005 verzonden brief heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2005, waar appellanten, van wie [gemachtigde] in persoon, bijgestaan door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Deventer, verweerder, vertegenwoordigd door mr. S.G. Blasweiler, mr. I.M.I. van den Bergh en B.L.T.M. Overes, ambtenaren van de gemeente en ProRail B.V., vertegenwoordigd door mr. H.H. Luigies, advocaat te Rotterdam, en J.Y.M. Lafeber, C. Mensink en ing. C.T.M. Bomers, gemachtigden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten hebben bij brief van 15 juli 2004, voor zover thans van belang, verzocht om het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen ten aanzien van een vermeende overtreding door ProRail B.V. van de voorschriften 10.7 tot en met 10.10 van de aan haar verleende vergunning krachtens de Wet milieubeheer.

   In voorschrift 10.2 zijn grenswaarden voor het LAr,Lt opgenomen. Voorschrift 10.7 van de vergunning bepaalt dat de vergunninghouder teneinde aan voorschrift 10.2 te kunnen voldoen door middel van een akoestisch onderzoek dient na te gaan op welke manier en op welke termijnen (voor 1 januari 2004) de noodzakelijke geluidreductie zal worden bewerkstelligd.

   Voorschrift 10.8 (richtlijn akoestisch onderzoek) somt de technische en organisatorische maatregelen en mogelijke combinaties daarvan op in het akoestisch onderzoek die dienen te worden onderzocht. In voorschrift 10.9 (richtlijn rapportage onderzoek, termijnen) is de aanvangstermijn van het akoestisch onderzoek geregeld. Ingevolge voorschrift 10.10 dienen de resultaten van het onderzoek in de vorm van een akoestisch rapport onverwijld na afronding van het onderzoek en uiterlijk 1 juli 2003 te worden overgelegd ter schriftelijke goedkeuring. Verder bepaalt dit voorschrift welke informatie het rapport ten minste moet bevatten.

   ProRail B.V. heeft door het onderzoeksbureau DGMR een akoestisch onderzoek laten verrichten, waarvan een rapport is opgemaakt, genummerd G.1994.0669.E en gedateerd 19 december 2003.

2.2.    Appellanten stellen dat verweerder de deugdelijke naleving van de voorschriften 10.7 tot en met 10.10 van de vergunning dient af te dwingen met handhavingsmaatregelen. Daartoe voeren zij aan dat in strijd met voorschrift 10.8 van de vergunning niet alle hierin opgesomde maatregelen in het akoestisch rapport zijn nagelopen. Zij betogen dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de door de inrichting veroorzaakte piekgeluiden. Tevens betogen appellanten dat het rapport niet alle elementen bevat die voorschrift 10.10 vereist.

2.2.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat handhavingsmaatregelen te treffen ten aanzien van de voorschriften 10.7 tot en met 10.10. Daartoe heeft verweerder in zijn besluit overwogen dat het akoestisch rapport voldoet aan genoemde voorschriften en daarom ook door hem is goedgekeurd. Het tegen de goedkeuring door appellanten gemaakte bezwaar is door verweerder bij het op 23 september 2004 verzonden besluit, kenmerk G140/04.00367.17, niet-ontvankelijk verklaard. Omdat geen bezwaarmogelijkheid openstaat tegen de goedkeuring is volgens verweerder ook geen gegrond verzoek tot handhaving van de voorschriften mogelijk.

2.2.2.    De Afdeling stelt vast dat verweerder het akoestisch rapport op 7 juni 2004 heeft goedgekeurd. Bij het op 23 september 2004 verzonden besluit heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar van appellanten niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 9 februari 2005 in zaak no. 200409482/2 heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling dit besluit vernietigd op grond van de overweging dat de goedkeuring van het rapport op rechtsgevolg is gericht en mitsdien een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Bij uitspraak van heden in zaak no. 200409482/3 heeft de Afdeling het door verweerder tegen voormelde uitspraak van 9 februari 2005 gedane verzet ongegrond verklaard. Verweerder zal derhalve alsnog op het bezwaarschrift van appellanten tegen het besluit tot goedkeuring van het akoestisch rapport dienen te beslissen.

   Nu verweerder de weigering handhavingsmaatregelen te treffen heeft gemotiveerd door te verwijzen naar de goedkeuring van het rapport en betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat daartegen geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is gegrond, in verband waarmee het besluit wordt vernietigd.

2.3.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het op 15 december 2004 verzonden besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen, kenmerk G140/04.0052067,;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 760,80 (zegge: zevenhonderdzestig euro en tachtig cent); het dient door de gemeente Nijmegen aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Nijmegen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton    w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005.

163-484.