Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6988

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
08-06-2005
Zaaknummer
200407494/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen het uitwerkingsplan "Ongelijkvloerse kruisingen Middenweg/Rijksweg Noord Geleen en Middenweg/Westelijke Randweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407494/1.

Datum uitspraak: 8 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], gevestigd en wonend te [plaatsen],

2.    [appellant sub 2], handelend onder de naam "BP De Middenweg", wonend te [plaats],

3.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "BP Nederland B.V.", gevestigd te Capelle aan den IJssel,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen het uitwerkingsplan "Ongelijkvloerse kruisingen Middenweg/Rijksweg Noord Geleen en Middenweg/Westelijke Randweg" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 juli 2004, kenmerk 2004/39879, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 7 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2004, appellant sub 2 bij brief van 15 september 2004, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, en appellante sub 3 bij brief van 15 september 2004, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 5 oktober 2004. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 13 oktober 2004. Appellante sub 3 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 14 oktober 2004.

Bij brief van 17 februari 2005 heeft verweerder meegedeeld geen nader verweer in te dienen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2005. Partijen zijn, met kennisgeving, niet verschenen.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellanten

2.2.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Hiertoe voeren zij onder meer aan dat aan de uitwerkingsplicht reeds uitvoering is gegeven, dat niet wordt voldaan aan de uitwerkingsregels alsmede dat niet is gebleken dat met de nieuwe wegsituatie aan het Besluit luchtkwaliteit kan worden voldaan.

Het standpunt van verweerder

2.3.    Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het plan voldoet aan de in het bestemmingsplan "Middenweg - Westelijke randweg Sittard" (hierna: het bestemmingsplan) opgenomen uitwerkingsregels en aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. Hij heeft het plan goedgekeurd.

   In zijn brief van 17 februari 2005 deelt verweerder evenwel mee dat hij en het college van burgemeester en wethouders zich op het standpunt stellen dat het uitwerkingsplan zodanige inhoudelijke gebreken bevat dat het voeren van verweer weinig opportuun wordt geacht. Daarbij deelt hij mee dat het gemeentebestuur voor het project een procedure zal starten op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    Het plan voorziet in een in artikel 2 van de voorschriften van het bestemmingsplan bedoelde uitwerking en beoogt twee viaducten over de Middenweg ten behoeve van de verwezenlijking van de Rijksboulevardweg en de Westelijke Randweg mogelijk te maken. De Middenweg zal daartoe verdiept worden aangelegd.

2.4.2.    Aan de in het plan begrepen gronden is in het bestemmingsplan de uit te werken bestemming "Verkeersdoeleinden" toegekend. De als zodanig aangewezen gronden zijn, voor zover thans van belang, ingevolge artikel 2, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan bestemd voor het bewegend en stilstaand wegverkeer met de daartoe nodige voorzieningen. Ingevolge het derde artikellid werkt het college van burgemeester en wethouders het plan voor de in het eerste artikellid bedoelde gronden uit met inachtneming van de navolgende regelen: er dient een volledig plan van de indeling van deze gronden in rijstroken, fiets- en voetpaden en parallelwegen te worden opgesteld met noodzakelijke verkeersgeleiders, groen- en parkeerstroken, alsmede overige voorzieningen, met dien verstande dat naast fiets- en voetpaden, parallelwegen, in- en uitvoegstroken, een eenbaansrijbaan met twee rijstroken in het plan wordt opgenomen en dat ter plaatse van een wegkruising een viaduct of tunnel mag worden gebouwd.

2.4.3.    Aan het plangebied is met het uitwerkingsplan de bestemming "Verkeersdoeleinden" toegekend. Ingevolge artikel 2 van de voorschriften van het uitwerkingsplan zijn de aldus aangewezen gronden bestemd voor:

- verkeersdoeleinden in de vorm van hoofdontsluitingswegen en fiets- en voetpaden met inachtneming van de op de plankaart aangegeven wegprofielen;

- verhardingen;

- bruggen en viaducten;

- doeleinden van openbaar nut;

- groenvoorzieningen zoals bermen en infiltratie- en retentievoorzieningen.

2.4.4.    Het college van burgemeester en wethouders heeft bij brief van 19 mei 2005 meegedeeld geen aanleiding te zien verweer te voeren.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    Zowel verweerder als het college van burgemeester en wethouders zien wegens de aan het plan verbonden onvolkomenheden af van het voeren van verweer tegen de in de beroepschriften neergelegde bezwaren. Daaruit volgt en de Afdeling ziet geen aanleiding voor een andersluidend oordeel, dat het plan moet worden geacht ten onrechte te zijn goedgekeurd en vastgesteld.

   Het plan is derhalve vastgesteld in strijd met artikel 11 van de WRO. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De bezwaren van appellanten behoeven geen nadere bespreking.

   Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plan.

Proceskostenveroordeling

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 13 juli 2004, kenmerk 2004/39879;

III.    onthoudt goedkeuring aan het plan;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Limburg aan [appellanten sub 1] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Limburg aan [appellant sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "BP Nederland B.V." in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Limburg aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "BP Nederland B.V." onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Limburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 voor [appellanten sub 1] , € 273,00 voor [appellant sub 2] en € 273,00 voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "BP Nederland B.V." vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Bechinka

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005

371.