Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6987

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
08-06-2005
Zaaknummer
200407525/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2004, kenmerk TRCJZ/2004/2069, heeft verweerder het verzoek van appellante om schadevergoeding op grond van artikel 18, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 80K
Milieurecht Totaal 2005/1375
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407525/1.

Datum uitspraak: 8 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen op het Oosteinde, Oerd en Neerlands Reid B.V.", gevestigd te Buren (gemeente Ameland),

appellante,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2004, kenmerk TRCJZ/2004/2069, heeft verweerder het verzoek van appellante om schadevergoeding op grond van artikel 18, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet afgewezen.

Bij besluit van 29 juli 2004, kenmerk DRR&R/2004/1589 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 7 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 26 oktober 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [secretaris van appellante], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.A.H.J. Anthonissen, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Het standpunt van appellante

2.1.    Appellante stelt in beroep dat de exploitatie van haar weidegebieden tekorten vertoont doordat het Faunafonds de jaarlijkse tegemoetkomingen voor wildschade heeft beëindigd. Volgens haar behoort deze schade niet voor haar rekening te blijven. Appellante stelt onder verwijzing naar de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds dat, nu het gebied "Neerlands Reid" als beschermd natuurgebied is aangewezen, bij verweerder een tegemoetkoming in de geleden schade kan worden gevorderd.

Het standpunt van verweerder

2.2.    Verweerder heeft onder meer gesteld dat appellante geen schade lijdt die het gevolg is van de aanwijzing van het gebied "Neerlands Reid" als beschermd natuurmonument. Het feit dat appellante niet langer een tegemoetkoming in door haar geleden faunaschade wordt toegekend, is het gevolg van het door het Faunafonds gevoerde beleid, aldus verweerder. Het Faunafonds is een krachtens de Flora- en faunawet ingesteld zelfstandig bestuursorgaan dat geen onderdeel uitmaakt van zijn ministerie. Verweerder acht zich daarom niet gebonden aan de verwijzingen door het Faunafonds naar de Natuurbeschermingswet.

Vaststelling van de feiten

2.3.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.3.1.    Appellante heeft gronden binnen het gebied "Neerlands Reid" op Ameland in eigendom. Zij exploiteert deze gronden door middel van beweiding door koeien, schapen en paarden. Voor de betrokken gronden heeft appellante in de periode van 1985 tot 2000 jaarlijks van het toenmalige Jachtfonds een tegemoetkoming gekregen in de aan het grasland door Rotganzen veroorzaakte schade.

2.3.2.    Het gebied "Neerlands Reid" is bij besluit van de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 23 juli 1982 aangewezen als beschermd natuurmonument. Daartoe overwoog de Minister onder meer dat het monument fungeert als broed-, foerageer- en pleisterplaats voor een groot aantal vogelsoorten, waaronder voor Nederland minder algemene tot zeldzame soorten. Voorts nam de Minister in aanmerking dat sommige van deze soorten in grote aantallen worden aangetroffen.

Blijkens de toelichting bij het aanwijzingsbesluit kan het gebruik en beheer van het natuurmonument, het extensief beweiden met schapen en jongvee, zoals dat ten tijde van de aanwijzing plaats vond, worden voortgezet op dezelfde wijze en in dezelfde mate als dat op het moment van de aanwijzing gebruikelijk was.

2.3.3.    In artikel 7, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet (hierna: de Nbw) is bepaald dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna ook: de Minister) een natuurmonument kan aanwijzen als beschermd natuurmonument.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Nbw, voorzover hier van belang, kent de Minister een belanghebbende op diens verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien en voorzover blijkt dat die belanghebbende ten gevolge van de aanwijzing als beschermd natuurmonument, of doordat een vergunning is geweigerd dan wel aan een vergunning voorwaarden zijn verbonden, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de Nbw, kan worden bepaald dat de verleende schadevergoeding geheel of ten dele moet worden teruggegeven, indien ten gevolge van de aanwijzing als beschermd natuurmonument schadevergoeding is toegekend en door de verlening van een vergunning de schade geheel of ten dele wordt weggenomen.

2.3.4.    Ingevolge artikel 83, eerste lid, onderdeel b, van de met ingang van 1 april 2002 in werking getreden Flora- en faunawet (hierna: de Ffw), is er een Faunafonds dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, van de Ffw wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, slechts verleend voorzover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

2.3.5.    Bij besluit van 14 maart 2002 heeft het bestuur van het Faunafonds beleidsregels vastgesteld aan de hand waarvan het bestuur beslist op aanvragen voor tegemoetkomingen (Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds, Stcrt. 2002, 69, p. 25 e.v., hierna: de Regeling).

Ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel g, ten derde, van de Regeling wordt geen tegemoetkoming verleend indien schade is aangericht op gronden welke in het kader van de Nbw zijn aangewezen als beschermd natuurmonument.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Regeling kan het bestuur in bijzondere gevallen besluiten, in afwijking van hetgeen in dit artikel is bepaald, een tegemoetkoming te verlenen.

2.3.6.    De Rotgans is op grond van de Ffw aangewezen als beschermde inheemse diersoort.

2.3.7.    Bij besluit van 10 juni 2002 heeft het bestuur van het Faunafonds een aanvraag van appellante om tegemoetkoming in de faunaschade afgewezen. Het bestuur overwoog daartoe dat de schade is aangericht op gronden die zijn aangewezen als beschermd natuurmonument.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.    Artikel 18 van de Nbw biedt slechts een grondslag voor vergoeding van door Rotganzen veroorzaakte schade indien en voorzover de schade kan worden aangemerkt als een gevolg van de aanwijzing van het beschermde natuurmonument dan wel van de weigering een vergunning te verlenen.

2.4.1.    In vergelijking met het ten tijde van de aanwijzing tot beschermd natuurmonument bestaande agrarische gebruik, is ten gevolge van de aanwijzing geen vermindering van de beweidingsmogelijkheden opgetreden.

2.4.2.    Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van schade, welke het rechtstreekse gevolg is van het aanwijzingsbesluit en de door de Nbw daaraan verbonden rechtsgevolgen geen sprake is. Voorzover appellante financieel nadeel lijdt ten gevolge van het beleid inzake de toepassing van artikel 84, eerste lid, van de Ffw zoals het bestuur van het Faunafonds dat als rechtsopvolger van het Jachtfonds voert, volgt dit uit de beslissing van het bestuur om binnen dit beleid, neergelegd in de Regeling, betekenis toe te kennen aan de omstandigheid dat de schade in een beschermd natuurmonument wordt aangericht. Indien appellante zich niet kan verenigen met een afwijzende beslissing van het bestuur van het Faunafonds op een verzoek om tegemoetkoming, ligt het op haar weg die beslissing in bezwaar en beroep aan te vechten. Daarbij kan tevens het in de Regeling vervatte beleid aan de orde worden gesteld. Het is niet aan de Afdeling om in de onderhavige procedure een oordeel te geven over dat beleid.

2.4.3.    Gelet op het voorgaande, faalt het betoog van appellante dat de schade die zij ondervindt van de begrazing door Rotganzen het gevolg is van de aanwijzing van het gebied "Neerlands Reid" als beschermd natuurmonument. Voorts is in dit geval geen sprake van een weigering een vergunning te verlenen voor het treffen van maatregelen ter bestrijding van door Rotganzen aan te richten schade. Het verzoek om schadevergoeding komt derhalve niet op grond van artikel 18 van de Nbw voor inwilliging in aanmerking.

2.4.4.    Voorzover appellante in beroep heeft aangevoerd dat verweerder ook had kunnen beoordelen of op grond van het rechtsbeginsel van "égalité devant les charges publiques" (gelijkheid voor openbare lasten) aanleiding bestond voor nadeelcompensatie, wordt overwogen dat verweerder in het verzoek van appellante terecht een beroep op artikel 18 van de Nbw heeft gelezen. Gelet op deze omstandigheid, was verweerder in dit geval niet gehouden ambtshalve te beoordelen of wellicht een andere grondslag voor vergoeding van de geleden schade bestond.

2.4.5.    Gelet op het vorenstaande, ziet de Afdeling in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd het recht.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Proceskosten

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Bultema, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Bultema

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005

400.