Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6986

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
08-06-2005
Zaaknummer
200409192/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellant een vergunning geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een edelhertenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 14 oktober 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409192/1.

Datum uitspraak: 8 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellant een vergunning geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een edelhertenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 14 oktober 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 januari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2005, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. T.I.P. Jeltema, advocaat te Veldhoven, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G.M. van den Boom, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wet), voorzover hier van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder kwetsbaar gebied: gebied dat als zodanig is aangemerkt krachtens artikel 2. Voorts wordt ingevolge dit artikellid, voorzover hier van belang, in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder veehouderij: inrichting, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet worden als kwetsbaar gebied aangemerkt gebieden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS), en:

a. onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet) als voor verzuring gevoelig krachtens artikel 1, tweede lid, van de Interimwet waren aangemerkt, of

b. waarop onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet een convenant als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij (hierna: de Uitvoeringsregeling) van toepassing was, met ingang van het tijdstip waarop dat convenant niet meer van toepassing is.    

   Krachtens artikel 2, tweede lid, van de Wet stellen gedeputeerde staten voor de toepassing van het eerste lid bij besluit vast welke gebieden in hun provincie deel uitmaken van de EHS, voorzover dat onderscheidenlijk op zodanige wijze als noodzakelijk is om te kunnen vaststellen welke van de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde gebieden als kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Een zodanig besluit gaat vergezeld van één of meer kaarten.

   Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Wet worden, voorzover binnen een provincie of een deel van een provincie het in het tweede lid bedoelde besluit niet is bekendgemaakt, in die provincie of dat deel van die provincie als kwetsbaar gebied aangemerkt alle gebieden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet wordt een vergunning voor het oprichten van een veehouderij geweigerd, indien een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet wordt in afwijking van artikel 4, eerste lid, een vergunning niet geweigerd met het oog op de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven, indien de veehouderij al was opgericht en onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht onder de werking van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer viel, en: (…)

   Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wet wordt, in afwijking van artikel 4, eerste lid, een vergunning eveneens niet geweigerd indien in de veehouderij dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.

   Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Interimwet wordt bij ministeriële regeling aangegeven welke ecologisch of natuurwetenschappelijk waardevolle gebieden die gevoelig zijn voor verzuring of eutrofiëring, voor de toepassing van deze wet en daarop berustende bepalingen worden aangemerkt als voor verzuring gevoelig gebied. Aan dit artikellid is uitvoering gegeven in de Uitvoeringsregeling.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling wordt in deze regeling en de daarop berustende bepalingen onder landschapselement onder meer verstaan: beek van tenminste 25 meter lengte, als omschreven in bijlage 2.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling wordt in deze regeling en de daarop berustende bepalingen verstaan onder voor verzuring gevoelige grond: podzolgrond, enkeerdgrond, kalkloze zandgrond, zandbrikgrond, veengrond en moerige grond met een zanddek of veenkoloniaal dek, keileemgrond, stenige grond of een associatie van twee of meer bodemtypen waarvan ten minste één van de in het voorgaande genoemde bodemtypen deel uitmaakt, zoals deze bodemtypen worden omschreven in bijlage 1.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling, voorzover van belang, worden voor de toepassing van de Interimwet en de daarop berustende bepalingen als voor verzuring gevoelig gebied aangemerkt bossen, natuurterreinen en landschapselementen, die zijn gelegen op voor verzuring gevoelige grond en:

a. een oppervlakte hebben van ten minste 5 ha, dan wel (…).

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling worden in afwijking van artikel 2 niet als voor verzuring gevoelig gebied aangemerkt bossen, natuurterreinen en landschapselementen:

a. waarvan de aanleg of begrenzing heeft plaatsgevonden na 1 mei 1988, dan wel

b. waarop een convenant van toepassing is, waarin met het oog op de instandhouding van de desbetreffende gebieden afspraken zijn gemaakt over het onderhoud en het beheer ervan.

   In bijlage 2 bij de Uitvoeringsregeling wordt het landschapselement beek omschreven als: klein, op natuurlijke wijze stromend water dat ten minste gedurende een groot deel van het jaar water voert en dat als beek is aangegeven in de EHS uit het Natuurbeleidsplan (hierna: NBP) (Kamerstukken II, 1989/90, 21 149, nrs. 2-3).

2.2.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde oprichtingsvergunning voor een edelhertenhouderij geweigerd op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet omdat de inrichting is gelegen in een zone van 250 meter rond de Dommel die volgens hem als kwetsbaar gebied aangemerkt dient te worden.

2.3.    Appellant heeft gesteld dat verweerder de oprichtingsvergunning ten onrechte heeft geweigerd. Daartoe heeft hij betoogd dat, nu in de Regeling ammoniak en veehouderij (hierna: de Regeling) voor edelherten geen emissiefactoren zijn opgenomen, de uit de inrichting afkomstige ammoniakemissie op nul moet worden gesteld en de vergunning derhalve niet op grond van de Wet kan worden geweigerd. Ter ondersteuning van dit betoog heeft appellant gewezen op een uitspraak van de Afdeling van 2 november 2000, nr. E03.97.1503 (aangehecht). Voorts heeft appellant betoogd dat de Dommel niet een kwetsbaar gebied is als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet. Volgens appellant is verweerder er ten onrechte van uitgegaan dat het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 2 juli 2002 een besluit betreft als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet en dat het gebied deel uitmaakt van de EHS. De door verweerder aan dit besluit ontleende kaarten hebben volgens appellant geen formele status. Voorts kan de Dommel niet worden aangemerkt als voor verzuring gevoelig krachtens artikel 1, tweede lid, van de Interimwet, aldus appellant. Hiertoe heeft appellant aangevoerd dat de Dommel geen landschapselement is en voorts dat de Dommel niet is gelegen op voor verzuring gevoelige grond.

2.4.    Vaststaat dat de inrichting waarvoor vergunning is gevraagd en waar 250 edelherten zullen worden gehouden, een veehouderij is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet. Voorts is niet in geschil dat zich geen van de in artikel 5 van de Wet genoemde gevallen voordoet. Derhalve moet een oprichtingsvergunning voor de inrichting op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet worden geweigerd indien een tot de inrichting behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. Dat in de Regeling voor edelherten geen emissiefactoren zijn opgenomen, maakt dit niet anders. Met betrekking tot de door appellant genoemde uitspraak van 2 november 2000, nr. E03.97.1503, overweegt de Afdeling dat die een besluit op een aanvraag betreft ten aanzien waarvan de - inmiddels vervallen - Interimwet het exclusieve beoordelingskader vormde en niet de Wet, zoals dat in de onderhavige situatie het geval is.

2.5.    Niet in geschil is dat een tot de inrichting behorend dierenverblijf is gelegen in een zone van 250 meter rond de Dommel. Het geschil spitst zich, gelet op het vorenstaande, toe op de vraag of de Dommel een kwetsbaar gebied betreft als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet.

2.5.1.    Het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 2 juli 2002 betreft niet een besluit als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet waarbij is vastgesteld welke gebieden in de provincie Noord-Brabant deel uitmaken van de EHS. Dit is door de Afdeling eerder overwogen in de uitspraak van 21 december 2004, nr. 200402014/2 en verder (aangehecht). In zoverre kan aan de bij dat besluit behorende kaarten, voorzover deze door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, geen betekenis toekomen.

   Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting was op de Dommel onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet niet een convenant als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling van toepassing.

   Gelet op het vorenstaande en gezien artikel 2, derde lid, alsmede het eerste lid, onder a, van de Wet dient te worden beoordeeld of de Dommel onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet als voor verzuring gevoelig krachtens artikel 1, tweede lid, van de Interimwet was aangemerkt.

2.5.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat de Dommel dient te worden aangemerkt als een op natuurlijke wijze stromend water dat tenminste gedurende een groot deel van het jaar water voert. In het NBP staat onder het project Beken en beekdalen de Dommel genoemd. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de Dommel een beek betreft als bedoeld in bijlage 2 bij de Uitvoeringsregeling. Verweerder heeft de Dommel, nu deze voorts langer is dan 25 meter, op goede gronden aangemerkt als landschapselement als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling.

   Vaststaat dat de Dommel niet na 1 mei 1988 is aangelegd of begrensd als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling.

   Ter zitting is door verweerder onweersproken gesteld dat de Dommel ter plaatse is gelegen op zandgrond. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de Dommel is gelegen op voor verzuring gevoelige grond als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling.

   Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting omvat de Dommel een oppervlakte van ten minste 5 ha.

   Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op goede gronden op het standpunt gesteld dat de Dommel krachtens artikel 1, tweede lid, van de Interimwet een voor verzuring gevoelig gebied is en dat dit gebied dient te worden aangemerkt als kwetsbaar gebied als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet.

2.5.3.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de gevraagde oprichtingsvergunning terecht geweigerd op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. De Vink

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005

312-431.