Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6985

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
08-06-2005
Zaaknummer
200406889/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel (hierna: het college) geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het geheel vernieuwen en uitbreiden van een recreatiewoning op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406889/1.

Datum uitspraak: 8 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 juli 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Eersel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel (hierna: het college) geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het geheel vernieuwen en uitbreiden van een recreatiewoning op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […].

Bij besluit van 20 januari 2004 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften van 5 november 2003 het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juli 2004, verzonden op 26 juli 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 november 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 29 november 2004 heeft appellant een reactie ingediend.

Bij brief van 15 februari 2005 heeft appellant nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2005, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M.H.M. Bakermans, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De rechtbank heeft het besluit van 20 januari 2004 vernietigd, omdat het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel eerst na twaalf jaar op de aanvraag om bouwvergunning heeft beslist en zij de motivering van het besluit ondeugdelijk acht, nu het college niet enkel aan het vigerende bestemmingsplan heeft getoetst, doch ook aan voorgaande bestemmingsplannen.

2.2.    Vastgesteld wordt dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank, voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Volgens appellanten is de rechtbank hiertoe ten onrechte overgegaan.

2.2.1.    Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 februari 2002 in zaak no. 200005090/1 (BR 2002, p. 420) geldt als uitgangspunt dat bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Bij wijze van uitzondering mag een bouwaanvraag worden getoetst aan het ten tijde van de indiening ervan nog wel maar ten tijde van het besluit op de aanvraag dan wel het besluit op een daartegen ingediend bezwaar niet meer geldende bestemmingsplan, doch slechts indien ten tijde van de indiening van de aanvraag het daarin vervatte bouwplan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en er op dat moment nog geen voorbereidingsbesluit van kracht was geworden voor een nieuw bestemmingsplan danwel een ontwerp voor een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd waarmee dat bouwplan in strijd was. Aangezien het onderhavige bouwplan in strijd is met het ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" is er in dit geval geen grond voor het maken van een uitzondering op voormeld uitgangspunt. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat op de recreatiewoning het bestemmingsplan "Buitengebied 1988, 1e partiële herziening" van toepassing is. Dat, zoals appellant betoogt, dit bestemmingsplan niet op alle onderdelen door het college van gedeputeerde staten is goedgekeurd, maakt dat niet anders, aangezien moet worden getoetst aan de voorschriften voorzover deze wel zijn goedgekeurd. In artikel 47 van de overgangsbepalingen van dit bestemmingsplan, waaraan goedkeuring is verleend, is bepaald dat bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen slechts gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd. Nu het bouwplan, blijkens de aanvraag en de daarbij behorende bouwtekeningen, strekt tot het geheel vernieuwen en uitbreiden van de recreatiewoning heeft de rechtbank met recht overwogen dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen.

    Dat het college in het bestreden besluit eveneens is ingegaan op de verhouding van het bouwplan tot voormalige bestemmingsplannen doet aan het vorenstaande niet af.

    Voor zover appellant heeft beoogd te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tot het verlenen van de vergunning had moeten leiden, overweegt de Afdeling dat een dergelijke schending niet mee brengt dat het college op de bezwaren had dienen te beslissen zonder rekening te houden met het van toepassing zijnde recht.

    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.

2.3.    Anders dan appellant is de Afdeling van oordeel dat het college, onder meer gelet op het conserverend karakter van het bestemmingsplan, na de totstandkoming waarvan geen sprake is geweest van gewijzigde planologische inzichten op dit punt, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen geen vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te willen verlenen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005

218-444.