Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6982

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
08-06-2005
Zaaknummer
200408005/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2002 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (thans: de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; hierna: de staatssecretaris) het verzoek van appellante tot aanwijzing van de schoorsteen van het fabriekscomplex [locatie] te [plaats], kadastraal bekend als gemeente [plaats], sectie […], nummer […] (hierna: de schoorsteen) aan te wijzen als monument, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408005/1.

Datum uitspraak: 8 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Ruimte", gevestigd te Roermond,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 augustus 2004 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (thans: de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap).

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2002 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (thans: de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; hierna: de staatssecretaris) het verzoek van appellante tot aanwijzing van de schoorsteen van het fabriekscomplex [locatie] te [plaats], kadastraal bekend als gemeente [plaats], sectie […], nummer […] (hierna: de schoorsteen) aan te wijzen als monument, afgewezen.

Bij besluit van 22 maart 2004 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 augustus 2004, verzonden op 24 augustus 2004, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 november 2004 heeft de staatssecretaris van antwoord gediend.

Bij brief van 17 november 2004 heeft appellante nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [penningmeester], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.P. Abeling, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, ten eerste, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet) wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder monument: alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Monumentenwet kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: de minister), al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende monumenten aanwijzen als beschermd monument.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voorzover hier van belang, vraagt de minister, voordat hij terzake een beschikking geeft, advies aan de raad van de gemeente waarin het monument is gelegen.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel, voorzover hier van belang, doet de minister mededeling van de adviesaanvraag, bedoeld in het tweede lid, aan degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt gerechtigde staan vermeld en, indien om aanwijzing is verzocht, aan de verzoeker.

   Ingevolge het vierde lid van dit artikel, voorzover hier van belang, stelt het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) de in het derde lid genoemde belanghebbenden in de gelegenheid zich te doen horen.

   Ingevolge het zesde lid van dit artikel, voorzover hier van belang, beslist de minister, de Raad voor Cultuur gehoord, binnen tien maanden na de datum van de verzending van de adviesaanvraag aan de gemeenteraad, dan wel indien om aanwijzing is verzocht, binnen tien maanden na ontvangst van dat verzoek.

   De uitoefening van de aanwijzingsbevoegdheid is opgedragen aan de staatssecretaris.

2.1.1.    Bij besluit van 14 februari 2000 heeft de staatssecretaris, met toepassing van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en artikel 3 van de Monumentenwet, de Beleidsregels aanwijzing beschermde monumenten op verzoek (Stcrt. 24 februari 2000, nr. 39; hierna: de Beleidsregels) vastgesteld.

   Volgens artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels wordt een verzoek tot aanwijzing als beschermd monument van een monument dat is vervaardigd in de periode van 1850 tot 1940 en dat is gelegen in een gebied waar de Monumenten Registratie Procedure (hierna: de MRP) is afgerond, afgewezen.

   Volgens het tweede lid van dit artikel is het tweede lid van artikel 2 van de Beleidsregels van overeenkomstige toepassing, ingevolge waarvan in afwijking van het eerste lid een verzoek tot aanwijzing als beschermd monument kan worden toegewezen, indien het een monument betreft dat:

a. niet eerder is beoordeeld,

b. eerder is beoordeeld en ten aanzien waarvan daarna nieuwe feiten of omstandigheden zijn gebleken, of

c. ….

2.2.    Appellante handhaaft in hoger beroep haar betoog dat zij ten onrechte als aanvraagster niet is gehoord door de Commissie voor de Ruimtelijke Kwaliteitszorg van de gemeente Roermond (hierna: de Commissie RKZ). Zij voert aan dat de rechtbank haar belang om gehoord te worden door die commissie heeft miskend. Zij verwijst hierbij naar artikel 14 van de Verordening op de Commissie RKZ, welke het horen van de aanvrager verplicht stelt. Ook ingevolge de artikelen 4:7 en 7:13 van de Awb moet de aanvrager gehoord worden, aldus appellante.

2.2.1.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Verordening op de Commissie RKZ voorziet de commissie in schriftelijke en gemotiveerde adviezen met betrekking tot de daarbij omschreven aan het college opgedragen besluitvorming. In dit geval is geen sprake is van besluitvorming door het college als bedoeld in laatstgenoemd artikel, maar van besluitvorming door de staatssecretaris. Te dezen is er dan ook geen uit de voornoemde verordening voortvloeiende adviestaak met de daarbij behorende hoorplicht voor de Commissie RKZ.

2.2.2.    Het betoog van appellante dat de staatssecretaris ten onrechte geen toepassing heeft geven aan het bepaalde in artikel 7.13 van de Awb slaagt evenmin. Appellante is in het kader van de bezwaarprocedure immers gehoord door de Commissie bezwaarschriften van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

2.2.3.    Geconstateerd moet wel worden dat appellante in strijd met artikel 3, vierde lid, van de Monumentenwet niet voorafgaand aan het advies van de raad over het verzoek om aanwijzing tot beschermd monument is gehoord door het college. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het duidelijk dat het college volledig op de hoogte was van het standpunt van appellante, gelet op haar in haar aanvraag neergelegde visie op de waarde van de schoorsteen en de verwijzing daarin naar de bij de aanvraag gevoegde rapportage van de Stichting Fabrieksschoorstenen (hierna: de STIF). In aanmerking genomen voorts dat appellante in bezwaar en in beroep in de gelegenheid is geweest te reageren op het advies van de gemeenteraad en dat de gemachtigde van appellante blijkens de aangevallen uitspraak ter zitting bij de rechtbank daartoe uitgenodigd niets heeft kunnen noemen dat zij nog in had willen brengen voordat het college de gemeenteraad ging adviseren, is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat appellante doordat zij niet voorafgaand aan het advies van de gemeenteraad aan de staatssecretaris is gehoord, niet is benadeeld. Voorzover verder al geoordeeld zou moeten worden dat sprake is van het achterwege laten van het horen zoals voorgeschreven in artikel 4:7, eerste lid, van de Awb, geldt het voorgaande evenzeer.

2.3.    Appellante betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris ten onrechte voorbij is gegaan aan het bepaalde in artikel 3 van de Beleidsregels.

2.3.1.    Dit betoog faalt. Volgens artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2, tweede lid, van de Beleidsregels, kan een verzoek tot aanwijzing als beschermd monument worden toegewezen, indien het verzoek een monument betreft dat niet eerder is beoordeeld. Aangezien de MRP in deze regio reeds was afgerond en - gelijk door de staatssecretaris ook is erkend - niet duidelijk was of de schoorsteen daarbij is beoordeeld, volgt uit het beleid dat niet met verwijzing daarnaar tot afwijzing van het verzoek kon worden beslist maar dat in dit geval met toepassing van artikel 3 van de Monumentenwet moest worden beoordeeld of de schoorsteen dient te worden aangewezen als beschermd monument. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht bezien of de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de schoorsteen onvoldoende monumentale status bezit om als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet te worden aangewezen.

2.4.    Tenslotte betoogt appellante dat zij zich niet kan verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de monumentale waarde van de schoorsteen. Zij verwijst hierbij naar de bij haar aanvraag gevoegde, op haar verzoek opgestelde rapportage van de STIF, waarin de duidelijk afleesbare oorspronkelijke functie, de typologie en de zeldzaamheid van de schoorsteen worden benadrukt. Voorts meent zij dat de rechtbank ten onrechte relevant acht dat de schoorsteen gedeeltelijk is gerenoveerd. Zij herhaalt in dat verband haar beroep op gevallen waarin de staatssecretaris ondanks mutilaties wel tot aanwijzing als beschermd monument is overgegaan.

2.4.1.    De staatssecretaris heeft naar aanleiding van het verzoek van appellante de gemeenteraad van Roermond, het college van gedeputeerde staten van Limburg alsmede de Raad voor Cultuur om advies gevraagd. Op respectievelijk 23 november 2000, 31 oktober 2000 en 17 mei 2002 hebben de gemeenteraad, het college van gedeputeerde staten en de Raad voor Cultuur negatief geadviseerd. De staatssecretaris heeft het verzoek vervolgens, gelet op deze negatieve adviezen, afgewezen. In de rapportage van de STIF zijn geen aanwijzingen gelegen welke voor de staatssecretaris aanleiding hadden moeten zijn om tot een ander standpunt te komen. In het bijzonder kan niet worden gevolgd de daarin neergelegde visie dat de schoorsteen - ook al is het bovenste deel na een aardbeving in 1992 gerenoveerd - uniek en om die reden monumentwaardig is, vanwege het feit dat zich daarbij oorspronkelijk een waterreservoir bevond, dat opnieuw zou moeten worden aangebracht. De staatssecretaris heeft ter zake de beperkte authenticiteit van de schoorsteen doorslaggevend kunnen achten, gelet op de in de Monumentenwet neergelegde eis dat sprake moet zijn van een ouderdom van tenminste vijftig jaar. Daarbij heeft de staatssecretaris erop gewezen dat het verschil met de schoorsteen in Tegelen, welke door appellante is genoemd als voorbeeld van een wel als beschermd monument aangewezen schoorsteen, is dat deze vanwege de oorspronkelijke voet wel op zichzelf voldoende monumentale waarde had. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is daarmee voldoende weerlegd.

   Gelet op het voorgaande en gegeven de beoordelingsruimte die hem hierbij toekomt valt niet in te zien waarom de staatssecretaris niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van aanwijzing van de schoorsteen als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet. De rechtbank is terecht ook tot die slotsom gekomen.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005

47-465.