Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6968

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
08-06-2005
Zaaknummer
200502646/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2005, kenmerk DNN 2005/373, heeft verweerder de aan de rechtsvoorganger van Dynea B.V. op 27 juli 1984 verleende vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor het lozen van afvalwater op oppervlaktewater, gewijzigd. Dit besluit is op 21 februari 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502646/2.

Datum uitspraak: 3 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster] en vennoten, alle gevestigd te [plaats],

verzoekers,

en

de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2005, kenmerk DNN 2005/373, heeft verweerder de aan de rechtsvoorganger van Dynea B.V. op 27 juli 1984 verleende vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor het lozen van afvalwater op oppervlaktewater, gewijzigd. Dit besluit is op 21 februari 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 25 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 april 2005.

Bij brief van 25 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 mei 2005, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. M.L. Niemöller, advocaat te Amersfoort, ing. J.F. Henneman, G. Bouwhuis en ing. G.J. Stam, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. K. Douma en ing. R. van der Ploeg, beiden ambtenaar van Rijkswaterstaat, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoekers voeren aan dat verweerder in het aan de vergunning verbonden voorschrift 1, tweede lid, in samenhang bezien met de bij de vergunning behorende bijlage 1, onder B,  en voorschrift 5, ten onrechte een separate meet- en bemonsteringverplichting heeft voorgeschreven. Hiertoe bestaat volgens hen geen noodzaak en het brengt voor [verzoekster] hoge kosten met zich. Zij wensen de thans geldende lozingssituatie, waarbij het afvalwater van [verzoekster] via de wastepit van Dynea B.V. wordt geloosd, gemeten en bemonsterd voort te zetten.

2.2.1.    In het aan de vergunning verbonden voorschrift 1, tweede lid, is bepaald dat het afvalwater dient te worden geloosd, gemeten en bemonsterd zoals is aangegeven in de bij de vergunning behorende bijlage 1.

   In bijlage 1, onder B, is de lozingssituatie vanaf uiterlijk 1 januari 2006 weergegeven.

   Ingevolge voorschrift 5, eerste lid, dient het te lozen afvalwater door doelmatig functionerende voorzieningen voor continue debietmeting respectievelijk bemonstering ter verzameling van representatieve volumeproportionele etmaalmonsters te worden geleid.

2.2.2.    In het belang van de bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewater kan verweerder voorschriften aan de vergunning verbinden inhoudende dat daarbij aangegeven metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de lozing nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater veroorzaakt.

   Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in de thans geldende lozingssituatie het afvalwater van [verzoekster] gezamenlijk met het bedrijfsafvalwater van Dynea B.V. via de wastepit van Dynea B.V. op de Eems worden geloosd. Dynea B.V. meet en bemonstert het gezamenlijke afvalwater. Uit deze meetgegevens is, volgens verzoekers, 80% van de verontreinigende stoffen te herleiden tot een van beide bedrijven. Voor de overige 20% is het blijkens de stukken onduidelijk van welk bedrijf de verontreinigende stoffen afkomstig zijn. Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid een meet- en bemonsteringsverplichting aan de vergunning heeft kunnen verbinden.

2.3.    Gezien het vorenstaande ziet de Voorzitter geen aanleiding het verzoek toe te wijzen.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van Driel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2005

414.