Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6960

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
08-06-2005
Zaaknummer
200406920/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 november 2003 heeft de gemeenteraad van Heusden, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 september 2003, vastgesteld het bestemmingsplan "Haarsteeg".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406920/1.

Datum uitspraak: 8 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2003 heeft de gemeenteraad van Heusden, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 september 2003, vastgesteld het bestemmingsplan "Haarsteeg".

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 17 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 oktober 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 januari 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2005, waar appellant in persoon en vertegenwoordigd door drs. H.E. Winkelman, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door P.M.A. van Beek, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Heusden, vertegenwoordigd door drs. Y. Vos, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellant

2.2.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" betreffende een gedeelte van zijn perceel aan [locatie] te [plaats] en de noordelijke plangrens op dat perceel.  

2.2.1.    Appellant komt in beroep tegen de goedkeuring van het plandeel voorzover de bestaande bedrijfsactiviteiten ter plaatse niet als zodanig zijn bestemd. Volgens appellant is dit in strijd met de rechtszekerheid.

Voorts komt appellant in beroep tegen de goedkeuring van de noordelijke plangrens. De ligging van deze plangrens belemmert hem in de mogelijkheden voor de exploitatie en ontwikkeling van zijn paardenfokkerij/houderij. Hij wenst een africhtings- en rijhal te bouwen ten noorden van de plangrens.

Appellant voert aan dat de gemeenteraad voor de vraag of zijn perceel voor een agrarische bedrijfsbestemming in aanmerking komt ten onrechte is uitgegaan van de gemeentelijke bedrijvenregistratie. Verweerder volgt ten onrechte de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 december 2003, nu deze nog niet als rechtsfeit mag worden aangemerkt. Hij stelt al jaren op het perceel een paardenfokkerij te hebben en voert daartoe onder meer aan als agrarisch bedrijf te staan ingeschreven bij de gezondheidsdienst voor dieren in Noord-Brabant.    

   Op grond van het bovenstaande is appellant van mening dat verweerder zijn besluit onvoldoende heeft voorbereid en dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd.

Het bestreden besluit

2.3.    Verweerder heeft het plan goedgekeurd. Gelet op de karakteristiek en de overwegende woonbebouwing in de lintstructuur van Haarsteeg acht hij het gemeentelijke beleid dat zich richt op het uitsluitend bestemmen van bestaande bedrijfsactiviteiten niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder sluit tevens aan bij de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 december 2003. Hierin onderschrijft de rechtbank niet het door appellant aangevoerde standpunt dat hij al vele jaren een agrarisch bedrijf exploiteert. Volgens verweerder heeft appellant geen redenen aangevoerd die een ander standpunt noodzakelijk maken.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    Het plan behelst het grootste gedeelte van de kern van Haarsteeg. Bij het bepalen van de noordelijke plangrens is aansluiting gezocht bij de plangrens van het in ontwikkeling zijnde bestemmingsplan "Buitengebied". De ligging van de noordelijke plangrens sluit aan bij de ligging van de plangrenzen op de naastgelegen percelen.

2.4.2.    Langs De Hoeven bevindt zich lintbebouwing op grotendeels smalle en diepe percelen. Het perceel [locatie] heeft een diepte van ongeveer 275 m. Het zuidelijke gedeelte, met een diepte van ongeveer 55 m, maakt deel uit van het plangebied. Op dit gedeelte van het perceel bevindt zich een woning en een schuur waarin drie paardenboxen zijn gemaakt. Aan de gronden op dit perceelsgedeelte is de bestemming "Woondoeleinden W" met de aanduiding "o.1" toegekend. Ingevolge artikel 4, sub a, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor woondoeleinden vrijstaand in maximaal één bouwlaag.

Op het gedeelte van het perceel dat buiten het plangebied ligt, bevinden zich twee kleine gebouwen met in totaal acht paardenboxen.

Voor de inwerkingtreding van het plan gold voor het zuidelijke perceelsgedeelte geen bestemmingsplan, maar was enkel een bouwverordening van toepassing.

2.4.3.    In de uitspraak van 10 december 2003, die betrekking had op de weigering van de gemeenteraad vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan "Buitengebied (Vlijmen)" voor de vestiging van een agrarisch bedrijf op het perceel [locatie] en de bouw van een africhtings- en rijhal, heeft de rechtbank 's Hertogenbosch geoordeeld dat daarbij terecht is uitgegaan van nieuwvestiging van het agrarische bedrijf van appellant. Bij uitspraak van 25 augustus 2004, no. 200400765/1, heeft de Afdeling het daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    Bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. Appellant heeft noch in zijn beroepschrift, noch tijdens de behandeling ter zitting aannemelijk gemaakt dat de te noorden van de plangrens gelegen gronden niet bij het buitengebied behoren en daarom zouden behoren tot de kern van Haarsteeg. Ook verder is van een ruimtelijke samenhang tussen de gronden in het plangebied en die daarbuiten niet gebleken. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de noordelijke plangrens van het perceel [locatie] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht.

2.5.1.    Gelet op het aantal paarden dat op het perceelsgedeelte binnen het plangebied wordt gehouden, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse geen agrarisch bedrijf aanwezig is, dat als zodanig bestemd diende te worden. Er bestond derhalve geen reden voor verweerder om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.

2.5.2.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond;

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman    w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005

270-482.