Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6954

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
08-06-2005
Zaaknummer
200410301/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college) aan appellant bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen van een caravanstalling op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […], plaatselijk bekend […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410301/1.

Datum uitspraak: 8 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/2683 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 4 november 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college) aan appellant bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen van een caravanstalling op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […], plaatselijk bekend […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 augustus 2003 heeft het college het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 3 april 2003 herroepen en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

Dit besluit is bij besluit van 29 oktober 2003 aangevuld met de weigering van het college om ten behoeve van het bouwplan vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Bij uitspraak van 4 november 2004, verzonden op 8 november 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het tegen deze besluiten door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 februari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2005, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door M.W.C. Heesbeen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in een algehele vernieuwing van het dak van de caravanstalling met een gedeeltelijke vergroting van de nokhoogte, een gedeeltelijke verhoging van de gevels en een beperkte uitbreiding van het bebouwde oppervlak.

2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1994" rust op het perceel de bestemming "Agrarische gebieden -A-". Het bouwplan is daarmee in strijd.

2.3.    De rechtbank heeft, anders dan appellant betoogt, met juistheid geoordeeld dat artikel IV.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften in dit geval toepassing mist. Deze bepaling voorziet slechts in de mogelijkheid vrijstelling te verlenen van de bouwvoorschriften voor geringe afwijkingen van de voorgeschreven maatvoering in bouwplannen die passen in de bestemming. Dat is hier niet het geval.

2.4.    Ingevolge artikel V.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften (voorzover hier van belang) mogen bouwwerken, welke op het tijdstip van het in ontwerp ter visie leggen van dit plan reeds bestaan en welke afwijken van het plan, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande afwijking naar aard en afmeting niet worden vergroot.

    Ingevolge artikel V.2, tweede lid, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen voor het uitbreiden van de onder het eerste lid bedoelde bouwwerken met ten hoogste 10%, mits de goot- en totale hoogte niet worden vergroot en mits de afstand gemeten tot het hart van de weg niet wordt verkleind.

2.5.    De rechtbank heeft voorts, anders dan appellant betoogt, terecht en op goede gronden geoordeeld dat het bouwplan niet voldoet aan de voorwaarde in artikel V.2, eerste lid, aanhef en onder a, dat de totale hoogte van het bouwwerk niet mag worden vergroot. Dat de verhoging van de nokhoogte niet over de volledige lengte van het gebouw plaatsvindt en enkele andere onderdelen van de caravanstalling in hoogte worden teruggebracht doet daar niet aan af.

2.6.    De rechtbank heeft tot slot met juistheid geoordeeld dat het college bij zijn besluit van 29 oktober 2003 in redelijkheid heeft kunnen weigeren om ten behoeve van het bouwplan toepassing te geven aan artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Dat het college nooit te kennen heeft gegeven een einde te willen maken aan het gebruik van het gebouw als caravanstalling betekent, anders dan appellant betoogt, niet dat hiermee de rechtens te honoreren verwachting is gewekt dat de caravanstalling in een nieuw bestemmingsplan positief zal worden bestemd. Het college heeft zich in voornoemd besluit in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen vooralsnog vast te houden aan de hoofdlijnen van het geldende bestemmingsplan en niet met een vrijstellingsprocedure vooruit te lopen op een in de nabije toekomst te verwachten integrale herziening van dat plan.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Boermans

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005

429.