Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6591

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2005
Datum publicatie
01-06-2005
Zaaknummer
200404539/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2004, kenmerk MV 3724, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een pluimveehouderij op het perceel [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 21 april 2004 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 1 juni 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 juli 2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404539/1.

Datum uitspraak: 1 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2004, kenmerk MV 3724, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een pluimveehouderij op het perceel [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 21 april 2004 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 1 juni 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 juli 2004.

Bij brief van 4 augustus 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 16 november 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2005, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, en verweerder, vertegenwoordigd door H.J.M. van Mensvoort,

M. van der Sluiszen-Dumay en ing. A.M.M. van Laarhoven, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [maten] en mr. M.R. de Jong, gemachtigden, als partij daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting heeft appellant de gronden inzake de door de inrichting te veroorzaken ammoniakemissie en stankhinder ingetrokken.

2.2.    De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op een pluimveehouderij voor het houden van 28.000 legkippen voor de eierproductie.

2.3.    Appellant betoogt dat de vergunningaanvraag in strijd is met artikel 5.1, onder i, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Besluit). Volgens appellant is het niet duidelijk waarvoor de aangevraagde en vergunde 100 m3 opslagruimte voor spoelwater is bestemd. Appellant wijst er in dat verband op dat in de aanvraag slechts 5 m3 afvoer van afvalwater is aangevraagd, zodat volgens hem de aanvraag niet juist is dan wel dat verweerder ten onrechte de grondslag van de aanvraag heeft verlaten. Voorts betoogt appellant dat uit de aanvraag ten onrechte niet blijkt of het spoelwater dat binnen de inrichting wordt opgeslagen, als een normale dan wel als een gevaarlijke bedrijfsafvalstof moet worden aangemerkt, nu dit spoelwater mogelijk verontreinigd raakt met ontsmettingsmiddelen.

2.3.1.    Ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder i, van het Besluit vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de belasting van het milieu die de inrichting kan veroorzaken als gevolg van het voortbrengen, opslaan of het zich ontdoen van afvalstoffen, te voorkomen of te beperken.

2.3.2.    Uit de aanvraag, die blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, blijkt dat per jaar 5 m3 bedrijfsafvalwater via een gesloten bedrijfsriolering wordt afgevoerd naar een spoelwateropslagruimte onder bedrijfsruimte C, welk bedrijfsafvalwater één keer per jaar uit de inrichting wordt afgevoerd. Blijkens de bij de aanvraag behorende tekening is de inhoud van deze spoelwateropslagruimte 100 m3. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Uit de aanvraag blijkt niet dat deze ruimte tevens wordt benut voor de opslag van andere stoffen. Wat betreft de karakterisering van het spoelwater als normale of als gevaarlijke bedrijfsafvalstof blijkt uit de aanvraag dat in het spoelwater uitsluitend stof, mest en strooisel voorkomen. Vaststaat dat het gebruik van ontsmettingsmiddelen in de inrichting niet is aangevraagd.

   Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag de in artikel 5.1, aanhef en onder i, van het Besluit bedoelde informatie voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu bevat. Deze beroepsgrond slaagt niet.

   In aanmerking genomen het vorenstaande en nu op grond van de stukken vaststaat dat ten aanzien van het bedrijfsafvalwater geen sprake is van een gevaarlijke bedrijfsafvalstof, behoeven in dat geval, zoals appellant ter zitting ook heeft verklaard, de in dit verband aangevoerde beroepsgronden ten aanzien van de in de hoofdstukken D en J aan de vergunning verbonden voorschriften geen bespreking.

2.4.    Appellant betoogt dat de aanvraag niet voldoet aan artikel 5.5 van het Besluit. Volgens appellant heeft verweerder ten onrechte geen bodemonderzoek van vergunninghoudster verlangd.

2.4.1.    In artikel 5.5 van het Besluit is bepaald dat voorzover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, de aanvrager op verzoek van het bevoegd gezag bij de aanvraag de resultaten verstrekt van een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem op de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen.

2.4.2.    De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar haar uitspraak van 21 januari 1997 in zaak no. E03.95.0821 (M en R 1997/6, nr. 70), dat het bezwaar van appellant ertoe noopt de vraag te beantwoorden, of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval zodanige gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem zijn voorgeschreven, dat hij ervan uit heeft kunnen gaan dat bij naleving van die voorschriften de kwaliteit van de bodem en het grondwater niet in relevante mate nadelig zullen worden beïnvloed en dat hij, behoudens bijzondere omstandigheden, af heeft kunnen zien van het voorschrijven van een nulsituatie-onderzoek.

   Verweerder heeft aan de onderhavige vergunning onder andere in hoofdstuk B (bodem), D (afvalwater), J (afvalstoffen) en N.2 (transport en verwerking van mest) voorschriften verbonden die zijn gericht op de bescherming van de bodem en het grondwater. Verweerder is gelet hierop van mening dat de in voornoemde hoofdstukken opgenomen voorschriften bodemverontreiniging voldoende voorkomen en dat het voorschrijven van een nulsituatie-onderzoek naast het in voorschrift B.3 voorgeschreven nulsituatie-onderzoek derhalve niet nodig is. Voor de motivering hiervan heeft verweerder verder verwezen naar de in het kader van de ten behoeve van de vergunde pluimveestallen verleende bouwvergunning gemaakte beoordeling van de noodzaak van het verrichten van bodemonderzoek.

   In aanmerking genomen hetgeen verweerder hieromtrent in het bestreden besluit heeft overwogen, dat het hier een bedrijf betreft met reguliere activiteiten en dat in dit geval afdoende gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem zijn voorgeschreven, is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid af heeft kunnen zien van het voorschrijven van een nulsituatie-onderzoek naast het reeds in voorschrift B.3 voorgeschreven nulsituatie-onderzoek. Deze beroepsgrond faalt.

2.5.    Appellant betoogt dat in strijd met artikel 8.5 van de Wet milieubeheer en artikel 5.3 van het Besluit de aanvraag om een bouwvergunning niet tezamen met de aanvraag om de bij het bestreden besluit verleende vergunning is ingediend. De omstandigheid dat er voor de onderhavige inrichting reeds een bouwvergunning is verleend, doet hier volgens appellant niet aan af, nu deze vergunning betrekking heeft op het oprichten van traditionele pluimveestallen, terwijl de bij het bestreden besluit verleende vergunning ziet op Groen Labelstallen.

   In artikel 8.5, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 5.3 van het Besluit is een regeling neergelegd voor het verstrekken van een afschrift van de aanvraag voor een bouwvergunning in gevallen waarin het oprichten of veranderen van een inrichting tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet. Ter zitting is gebleken dat in de voor de onderhavige inrichting verleende bouwvergunning de op te richten pluimveestallen niet nader zijn gespecificeerd, zodat deze vergunning ook betrekking kan hebben op de aangevraagde en bij het bestreden besluit vergunde Groen Labelstallen. Het vorenstaande in aanmerking genomen is er naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van strijd met artikel 8.5 van de Wet milieubeheer en artikel 5.3 van het Besluit. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.6.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.7.    Appellant betoogt onaanvaardbare geluidhinder te ondervinden als gevolg van het in werking zijn van de onderhavige inrichting. In dit verband heeft hij aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit het uitzonderen van aan- en afvoerbewegingen ten behoeve van de inrichting van de geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau in de dagperiode onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.7.1.    Ter voorkoming, dan wel voldoende beperking, van geluidhinder heeft verweerder onder meer de voorschriften C.1, C.2 en C.4 aan de vergunning verbonden.

   Ingevolge voorschrift C.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door geluidbronnen binnen de inrichting ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan 40, 35 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   Ingevolge voorschrift C.2 mag het maximale geluidniveau LAmax veroorzaakt door geluidbronnen binnen de inrichting ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift C.4 zijn de in voorschrift C.2 genoemde maximale geluidniveaus LAmax niet van toepassing op de aan- en afvoerbewegingen ten behoeve van de inrichting voorzover dit plaatsvindt tussen 07.00 en 19.00 uur.

2.7.2.    Verweerder heeft voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten directe geluidhinder hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd.

   In de Handreiking is bepaald dat zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld - zoals het geval is in de gemeente Oss - bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn opgenomen.  

   In de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor een landelijke omgeving als de onderhavige en welke kwalificatie van de omgeving van de inrichting door appellant niet is betwist, gelden als richtwaarden 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   Voor het maximale geluidniveau geldt op grond van de Handreiking een voorkeursgrenswaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vermeerderd met 10 dB(A) en zijn waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode ten hoogste aanvaardbaar.

   In paragraaf 3.2 van de Handreiking is bepaald dat in de dagperiode maximale geluidniveaus die niet worden veroorzaakt door de hoofdactiviteit van het bedrijf, na een bestuurlijke afweging kunnen worden uitgezonderd. Hierbij moet het gaan om niet met hoge frequentie voorkomende activiteiten.

2.7.3.    Verweerder heeft de in de voorschriften C.1 en C.2 gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau gebaseerd op het tot de aanvraag behorende akoestisch rapport van Agra-Matic B.V. van 5 mei 2003 (hierna: het akoestisch rapport), alsmede op een aanvullend akoestisch rapport van Agra-Matic B.V. van 15 maart 2004 (hierna: het aanvullend akoestisch rapport). Daarnaast is door adviesbureau De Haan op 16 maart 2005 nog een aanvullend akoestisch rapport uitgebracht (hierna: het akoestisch rapport van 16 maart 2005). Laatstgenoemd rapport dateert van na het nemen van het bestreden besluit en maakt derhalve geen deel uit van de verleende vergunning.

   In het bestreden besluit heeft verweerder ten aanzien van de in voorschrift C.4 opgenomen ontheffingsmogelijkheid overwogen, dat blijkens het akoestisch rapport het treffen van voorzieningen om aan de richtwaarden voor het maximale geluidniveau in de dagperiode te kunnen voldoen, niet mogelijk is. Om die reden acht verweerder het redelijk dat de aan- en afvoerbewegingen van de inrichting worden uitgezonderd van de geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau in de dagperiode.

2.7.4.    Uit het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport en het aanvullend akoestisch rapport blijkt dat per etmaal slechts een beperkt aantal aan- en afvoerbewegingen van vrachtwagens op het terrein van de inrichting plaatsvindt, waarbij het maximale geluidniveau bij de woning van appellant 52,6 dB(A) in de dagperiode bedraagt. Deze geluidwaarde blijft ruimschoots onder de grenswaarde voor het maximale geluidniveau in de dagperiode die hiervoor in de Handreiking als ten hoogste aanvaardbaar wordt geacht. In het licht hiervan is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de in voorschrift C.4 opgenomen ontheffingsmogelijkheid niet behoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare geluidhinder. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.8.    Appellant betoogt dat het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd en dat de uitkomsten van dit onderzoek eveneens onjuist zijn. In dit verband voert appellant aan dat verweerder wat betreft de afstand van zijn woning tot aan de meest nabij gelegen gevel van een ruimte binnen de inrichting waar bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, ten onrechte van 50 meter is uitgegaan. Voorts voert appellant aan dat de in het akoestisch rapport genoemde afstand tussen het hart van de weg en zijn woning niet 43 meter, maar circa 40 meter bedraagt.

   Uit het deskundigenbericht blijkt dat de door verweerder gehanteerde afstanden juist zijn. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen. Ten overvloede overweegt de Afdeling dat de door appellant genoemde afstand van 50 meter door verweerder uitsluitend is gebruikt bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken stankhinder. Deze beroepsgrond faalt.

2.9.    Appellant betoogt dat in het akoestisch rapport onder meer transportbewegingen als gevolg van de afvoer van mest en het laden van eieren tot de incidentele bedrijfssituatie zijn gerekend. Bovendien zijn deze geluidactiviteiten volgens appellant bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting door verweerder ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Dit geldt ook voor de geluidbelasting veroorzaakt door transportbewegingen als gevolg van de afvoer van afvalwater. Voorts is volgens appellant de capaciteit van de binnen de inrichting aanwezige mestopslagruimte zodanig, dat de mest vaker dan de aangevraagde en vergunde één keer per 13 tot 14 maanden zal worden afgevoerd.

2.9.1.    In het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport is ten aanzien van de door de onderhavige inrichting te veroorzaken geluidbelasting een onderscheid gemaakt tussen de representatieve bedrijfssituatie en de niet-representatieve bedrijfssituatie. Tot dit laatste moeten volgens het akoestisch rapport transportbewegingen als gevolg van de afvoer van mest, de aanvoer van hennen, de afvoer van kippen, het laden van eieren alsmede niet voorzienbare reparatie- en installatiewerkzaamheden worden gerekend. Verweerder heeft bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting deze geluidactiviteiten alsmede de geluidbelasting veroorzaakt door transportbewegingen die samenhangen met de afvoer van afvalwater buiten beschouwing gelaten aangezien deze activiteiten volgens hem slechts incidenteel voorkomen.

2.9.2.    Gelet op de stukken, waaronder de aanvraag, is de Afdeling van oordeel dat het laden en afvoeren van eieren in elk geval tot de representatieve bedrijfssituatie moet worden gerekend. Ter zitting is dit door verweerder erkend. Uit het akoestisch rapport, het aanvullend akoestisch rapport alsmede uit het akoestisch rapport van 16 maart 2005 blijkt dat de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dag-, avond- en nachtperiode en voor het maximale geluidniveau in voornoemde perioden als gevolg van de binnen de inrichting plaatsvindende en door verweerder als incidenteel aangemerkte bedrijfsactiviteiten in verschillende mate worden overschreden. Gelet hierop en in aanmerking genomen de frequentie en duur van deze activiteiten is de Afdeling van oordeel, dat deze geluidactiviteiten door verweerder bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten. Nu vaststaat dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau met inachtneming van deze geluidactiviteiten niet kunnen worden nageleefd en in de vergunningvoorschriften naast voorschrift C.4 geen uitzonderingen op de gestelde geluidgrenswaarden zijn opgenomen, is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten, alsmede met artikel 3:46 van die wet, dat eist dat een besluit berust op een deugdelijke motivering.

   Voorzover appellant nog heeft betoogd dat de omvang van de mestopslagruimte zal leiden tot een mestafvoer vaker dan één keer per 13 tot 14 maanden, overweegt de Afdeling, dat in het tot de aanvraag behorende akoestisch rapport is aangegeven hoe vaak deze afvoer plaatsvindt. De inrichting dient in werking te zijn conform de aanvraag. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning.

2.10.    Appellant betoogt dat in het akoestisch rapport ten onrechte alleen rekening is gehouden met de geluidbelasting veroorzaakt door activiteiten in de stallen D en E.

   Uit de tekening bij de aanvraag blijkt dat de binnen de inrichting aanwezige ruimten A, B en C respectievelijk een opslag annex werkplaats, een opslagruimte voor lege containers en eiertrays en een opslagruimte voor diverse materialen betreffen. De Afdeling stelt vast dat de geluidactiviteiten die in deze ruimten worden verricht door verweerder niet zijn meegenomen in de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken geluidhinder. In het deskundigenbericht is opgemerkt dat niet kan worden uitgesloten dat de activiteiten in en rondom deze bedrijfsruimten, en dan met name de activiteiten in en rondom ruimte A, een relevante bijdrage leveren aan de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting. Gelet hierop staat, naar het oordeel van de Afdeling, niet vast dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau kunnen worden nageleefd. Het bestreden besluit is ook in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze beroepsgrond slaagt.

2.11.    Appellant betoogt dat de twee voorste ventilatoren van de pluimveestallen niet noodzakelijk zijn, nu de achterste twee ventilatoren over voldoende capaciteit beschikken.

   Uit het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport en het aanvullend akoestisch rapport blijkt dat met het aangevraagde en vergunde aantal ventilatoren in de pluimveestallen kan worden voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de vergunning op dit punt zou moeten worden geweigerd dan wel dat aanvullende voorschriften nodig zijn. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.12.    Appellant betoogt dat in het akoestisch rapport bij de beoordeling van de geluidbelasting veroorzaakt door transportbewegingen van en naar de inrichting ten onrechte het hart van de weg ter hoogte van de uitrit van de inrichting als uitgangspunt is gekozen.

   In het akoestisch rapport is vermeld dat de indirecte geluidhinder is bepaald op de gevel van de woning [locatie 2] en de gevel van de woning van appellant aan de [locatie 3]. Volgens het akoestisch rapport vinden alle transportactiviteiten in westelijke richting plaats, zodat bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken indirecte geluidhinder ten aanzien van de woning van appellant het hart van de weg is gekozen ter hoogte van de uitrit van de inrichting. Blijkens het deskundigenbericht is de woning van appellant aan een doodlopende weg gelegen. Als gevolg hiervan zal het vrachtverkeer van en naar de inrichting niet langs de woning van appellant rijden, noch daar keren, nu voor dat laatste volgens het deskundigenbericht voldoende ruimte op het terrein van de inrichting aanwezig is. Dit is door appellant niet bestreden. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen hetgeen door appellant naar voren is gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat door verweerder bij de beoordeling van de indirecte geluidhinder een onjuist uitgangspunt is gekozen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.13.    Het beroep is gegrond. Nu de geluidaspecten bepalend zijn voor de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het gehele bestreden besluit te worden vernietigd.

2.14.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oss van 20 april 2004, kenmerk MV 3724;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oss tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Oss aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Oss aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Plambeck

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2005

159-443.