Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6577

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2005
Datum publicatie
01-06-2005
Zaaknummer
200503334/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2005, kenmerk Wm 123-03, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor de overslag van distibutiegoederen, gelegen op het perceel Zilverenberg 5 te 's-Hertogenbosch, kadastraal bekend gemeente 's-Hertogenbosch, sectie T, nummer 2840. Dit besluit is op 6 maart 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200503334/2.

Datum uitspraak: 27 mei 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Van Gend & Loos B.V.", gevestigd te Houten,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2005, kenmerk Wm 123-03, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor de overslag van distibutiegoederen, gelegen op het perceel Zilverenberg 5 te 's-Hertogenbosch, kadastraal bekend gemeente 's-Hertogenbosch, sectie T, nummer 2840. Dit besluit is op 6 maart 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 14 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2005, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 mei 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door A.R.M. Jourdan en J. Heijneman, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. van den Eertwegh, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    Verzoekster kan zich niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften 4.2.1 tot en met 4.2.3. In voorschrift 4.2.1 is, voorzover hier van belang, bepaald dat de vloer ter plaatse van een wasplaats vloeistofdicht moet zijn uitgevoerd. Voorschrift 4.2.2 schrijft voor dat de vloeistofdichte vloer van de wasplaats aan alle zijden zodanig is begrensd dat geen vloeistof van het vloeistofdichte vloergedeelte kan aflopen anders dan naar de bedrijfsriolering die op het vloeistofdichte vloergedeelte is aangesloten. Ingevolge voorschrift 4.2.3, voorzover hier van belang, behoort de riolering bestemd voor de afvoer van bedrijfsafvalwater vanaf de wasplaats tot en met de monsternameput voorbij de olie-afscheider vloeistofdicht te zijn uitgevoerd. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de in deze voorschriften opgenomen eisen redelijkerwijs niet van haar kunnen worden gevergd, nu in de aanvraag is vermeld dat binnen de inrichting gebruik zal worden gemaakt van een mobiele wasplaats. Een dergelijke wasplaats voldoet volgens verzoekster aan alle daaraan te stellen eisen met betrekking tot de opvang van vloeistoffen. Volgens haar had het voor de hand gelegen om voorschriften te stellen met betrekking tot de monitoring van de folie van de mobiele wasplaats.

2.3.1.    Verweerder is van oordeel dat alleen met het aanbrengen van een vloeistofdichte vloer de grootst mogelijke bescherming voor het milieu kan worden verkregen en voldaan wordt aan bodemrisicocategorie A van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming. Volgens verweerder is het risico van lekkage van de folie van de mobiele wasplaats te groot om het gebruik van deze wasplaats op een gewone ondergrond toe te staan.

2.3.2.    De Voorzitter overweegt dat de onderhavige procedure zich niet leent voor een diepgaande beoordeling van de vraag of de voorschriften 4.2.1 tot en met 4.2.3 nodig zijn voor de bescherming van het milieu. Deze vraag zal daarom in de bodemprocedure moeten worden beantwoord. Gelet op hetgeen in de bij de aanvraag gevoegde toelichting op de mobiele wasplaats is vermeld over de uitvoering daarvan en de aan het gebruik daarvan te stellen eisen alsmede gelet op hetgeen daarover ter zitting is meegedeeld, betwijfelt de Voorzitter evenwel of de voorschriften 4.2.1 tot en met 4.2.3 nodig zijn ter bescherming van het milieu. Nu deze voorschriften aanzienlijke investeringen met zich brengen en verweerder ter zitting heeft verklaard voornemens te zijn de naleving van die voorschriften ook hangende de bodemprocedure zonodig met toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen af te dwingen, ziet de Voorzitter, gelet op de betrokken belangen, aanleiding het besluit van verweerder bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen voorzover het de voorschriften 4.2.1 tot en met 4.2.3 betreft.

2.4.    Voorzover het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening betrekking heeft op de voorschriften 7.1.1 en 7.1.2, overweegt de Voorzitter dat in voorschrift 7.1.1, voorzover van belang, is bepaald dat de resultaten van een energiebesparingsonderzoek ter goedkeuring aan het bevoegd gezag moeten zijn gezonden binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van de beschikking. Nu het besluit van verweerder eerst onherroepelijk kan worden nadat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure, is er naar het oordeel van de Voorzitter geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot deze voorschriften. Het verzoek wordt in zoverre derhalve afgewezen.

2.5.     Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch van 25 februari 2005, kenmerk Wm 123-03, voorzover het de voorschriften 4.2.1 tot en met 4.2.3 betreft;

II.    wijst het verzoek voor het overige af;

III.    gelast dat de gemeente 's-Hertogenbosch aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Lap

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2005

288.