Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6558

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2005
Datum publicatie
01-06-2005
Zaaknummer
200409242/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2003 heeft de gemeenteraad van Westvoorne (hierna: de gemeenteraad) een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) genomen voor het perceel [locatie] te Oostvoorne, kadastraal bekend, gemeente [plaats], sectie […] nummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409242/1.

Datum uitspraak: 1 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

1.    de gemeenteraad van Westvoorne,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2003 heeft de gemeenteraad van Westvoorne (hierna: de gemeenteraad) een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) genomen voor het perceel [locatie] te Oostvoorne, kadastraal bekend, gemeente [plaats], sectie […] nummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne (hierna: het college) aan de besloten vennootschap [vergunninghoudster] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO en bouwvergunning verleend voor een bedrijfsruimte op het perceel.

Bij besluit van 30 september 2003 heeft de gemeenteraad het tegen het besluit van 25 maart 2003 door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 18 november 2003 heeft het college het tegen het besluit van 9 juli 2003 door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 oktober 2004, in zaak no. BESLU 03/3351-STRN, verzonden op 5 oktober 2004, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 30 september 2003 door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 oktober 2004, in zaak no. WRO 03/3134-STRN, verzonden op 5 oktober 2004, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 18 november 2003 door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben appellanten bij brieven van 11 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 november 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 december 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 januari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 26 april 2005, waar [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door L.J. Lokken, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is verschenen [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A. Bakker, gemachtigde.

Overwegingen

Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2004 in zaak no. BESLU 03/3351-STRN

2.1.    Het voorbereidingsbesluit houdt verband met de door Punt ingediende bouwaanvraag voor een bedrijfsruimte op het perceel.

2.2.    Het betoog van appellanten dat de gemeenteraad het voorbereidingsbesluit genomen heeft uitsluitend met het oog op de mogelijkheid om voor het bouwplan vrijstelling te verlenen is onjuist nu op dat moment ten aanzien van het onderhavige perceel tevens een herziening van het bestemmingsplan in voorbereiding was. Niet valt voorts in te zien dat de gemeenteraad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het nemen van het voorbereidingsbesluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 15 januari 2003 in zaak no. 200104563/1 (BR 2003, 399), bestaat voor zodanig oordeel slechts dan aanleiding indien reeds bij een globale beschouwing aanstonds duidelijk had behoren te zijn dat het voorgenomen bouwplan in planologisch opzicht onaanvaardbaar is. Een dergelijk geval doet zich hier niet voor.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2004 in zaak no. WRO 03/3134-STRN

2.4.    Het bouwplan voorziet in een bedrijfsgebouw met een oppervlakte van 1000 m². Het bouwplan beoogt de verplaatsing mogelijk te maken van het reeds lang in het Kruininger Gors gevestigde bedrijf van Punt dat op een afstand van 250 m van het perceel is gelegen.

2.5.    Ingevolge het ter plaatse als bestemmingsplan geldende uitbreidingsplan "Kruininger Gors 1947" is het perceel bestemd voor "Uitoefening van het tuinbouwbedrijf". Vast staat dat het bouwplan hiermee in strijd is. Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college voor het bouwplan vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend.

2.6.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstig bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

   Ingevolge het vierde lid van artikel 19 van de WRO wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van de WRO is herzien of geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, van de WRO is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

2.7.    Vast staat dat zowel ten tijde van het primaire besluit als ten tijde van de beslissing op bezwaar voor het gebied waarin het perceel is gelegen een voorbereidingsbesluit gold. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 17 december 2003 in zaak no. 200302477/1 (AB 2004, 130) was daarmee voldaan aan de in artikel 19, vierde lid, van de WRO gestelde eis voor toepassing van het eerste lid van dat artikel. De omstandigheid dat tegen het voorbereidingsbesluit bezwaar is gemaakt maakt dat niet anders.

2.8.    Het voorbereidingsbesluit is, zoals hiervoor is overwogen, door de gemeenteraad genomen met het oog op de verplaatsing van het bedrijf van Punt naar het perceel. Bij de beslissing op bezwaar heeft het college voor de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan voorts aangesloten bij het voorontwerp van het bestemmingsplan "Kruininger Gors" waarin aan het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met subbestemming "Btv" is toegekend. Niet betwist is dat het bouwplan daarmee in overeenstemming is. Vast staat voorts dat de inspecteur van de ruimtelijke ordening evenals het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland hebben ingestemd met de verplaatsing van het bedrijf van Punt naar het onderhavige perceel. Appellanten hebben erop gewezen dat de inspecteur ter zake van die verplaatsing een aantal voorwaarden heeft gesteld en dat niet aan alle voorwaarden zou zijn voldaan. Vastgesteld moet echter worden dat deze voorwaarden geen betrekking hebben op de planologische aanvaardbaarheid van het bouwplan op het perceel maar op de redactie van een bestemmingsregeling die andersoortige en meer omvangrijke bedrijvigheid op het perceel moet voorkomen. Het college heeft alvorens te beslissen op het bezwaar van appellanten het voorontwerp in die zin aangepast. Anders dan appellanten betogen brengt de aanpassing van het voorontwerp niet mee dat zij daaromtrent nogmaals hadden moeten worden gehoord. Nu het bouwplan niet is gewijzigd bestond daarvoor geen reden. Appellanten kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat het terrein rondom het bedrijfsgebouw moet worden betrokken bij de berekening van het bedrijfsvloeroppervlak en dat derhalve sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, in strijd met de door de inspecteur gestelde voorwaarde. Het bedrijfsvloeroppervlak van het bedrijfsgebouw waarin het bouwplan voorziet, is gelijk aan dat van het bestaande bedrijfsgebouw. Bedoeld terrein maakt geen deel uit van het bouwplan en kan reeds daarom niet bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken. Gelet hierop is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld.

2.9.    De niet gemotiveerde stelling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bij het besluit van 18 november 2003 voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van appellanten leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot het verlenen van vrijstelling heeft kunnen besluiten. Appellanten hebben deze belangen in bezwaar noch beroep geconcretiseerd.

2.10.    Appellanten betogen ten slotte tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de bouwvergunning in strijd met artikel 44, eerste lid, van de Woningwet heeft gehandhaafd omdat het besluit tot verlening van vrijstelling niet in werking is getreden nu dat niet aan hen is toegezonden of uitgereikt. De besluiten tot het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning zijn op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven wijze bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager op 11 juli 2003. Vast staat voorts dat daarvan overeenkomstig artikel 3:43, tweede lid, van die wet mededeling is gedaan in een lokaal nieuwsblad.

2.11.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Willems

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2005

412.