Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT6557

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2005
Datum publicatie
01-06-2005
Zaaknummer
200409048/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden (hierna: het college) geweigerd aan appellante op grond van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling te verlenen ten behoeve van de bewoning van een garage/hobbyruimte op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409048/1.

Datum uitspraak: 1 juni 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 september 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Uden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden (hierna: het college) geweigerd aan appellante op grond van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling te verlenen ten behoeve van de bewoning van een garage/hobbyruimte op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 24 november 2003 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 28 september 2004, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 29 september 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal mondelinge uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 8 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 december 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 februari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2005, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. M. Koelewijn, advocaat te Uden, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. J.K. van Polanen, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante heeft verzocht om vrijstelling ten behoeve van het bewonen van de tot gastenverblijf aangepaste vrijstaande garage/hobbyruimte op het perceel [locatie] te [plaats] door haar zoon en diens echtgenote, omdat zij in afwachting van hun vertrek naar Turkije tijdelijk behoefte aan woonruimte hebben en woonruimte elders niet beschikbaar is.

2.2.    Het betoog van appellante in hoger beroep komt neer op een herhaling van de gronden die zij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank die gronden terecht verworpen. De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat ten tijde van het nemen van het besluit van 24 november 2003 niet was gebleken van voldoende objectieve feiten en omstandigheden, die aannemelijk maken dat de bewoning van de garage/hobbyruimte een tijdelijk karakter zal hebben en dat de periode waarvoor vrijstelling wordt gevraagd objectief kan worden bepaald. De zoon van appellante laat zijn vertrek naar Turkije van economische ontwikkelingen afhangen en heeft geen concreet zicht op woonruimte elders. Nu de duur van het wonen in de garage/hobbyruimte daarmee afhankelijk is van in de toekomst gelegen onzekere omstandigheden, kon geen vrijstelling krachtens artikel 17 van de WRO worden verleend.

   De toezegging van appellante dat zij er voor zal zorgdragen dat de garage vanaf 1 augustus 2006 niet meer kan worden bewoond, zodat de bewoning van de garage/hobbyruimte maximaal vijf jaar zal duren, leidt niet tot een ander oordeel. Deze toezegging biedt geen zekerheid dat de bewoning van tijdelijke duur zal zijn, nu deze op elk moment en zonder consequenties voor appellante kan worden herroepen. Daarenboven is deze toezegging eerst in beroep bij de rechtbank gedaan, zodat het college daarmee bij de beslissing op bezwaar geen rekening heeft kunnen houden.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2005

202.